Grote Buikspreker

Wat een genot dat wij ons aan jou konden overgeven! Dat wij ons niet meer hoefden te laten leiden door onszelf maar ons lot in jouw handen konden leggen. Eindelijk konden wij ons weer baden in het zo vertrouwde wij-gevoel: ik ben wij ben ik…Eindelijk hoefden wij niet meer te zeggen wat wij dachten omdat er iemand was die dat voor ons deed. Jij grote buikspreker, wat waren wij graag jouw poppen en wat hoorden wij graag jouw stem door onze geopende monden. Wat verlangden wij ernaar om ons te laten deinen op jouw woordenstroom: om alleen nog een golf in de zee te zijn.
Laat je stembanden toch trillen!, Blaas ons adem in. Beziel ons. Animeer ons. Geef ons leven maar laat ons niet alleen..laat ons niet alleen..Wij hebben er zo genoeg van om alleen te staan. Wij willen samen zijn, met elkaar en met jou. Jij was zo eerlijk en integer, lief en romantisch, speels en spontaan. Niemand had zo’n uitstraling en was zo levend als jij met je twinkeling in je ogen en je overslaande stem. Ongrijpbaar danste je om je tegenstanders heen en veranderde hen in zoutpilaren. Als een figuur uit een sprookje ontsnapte je steeds weer aan je belagers door onophoudelijk van gedaante te veranderen. Jij, onze grote buikspreker was ook een grootmeester van de metamorfose… Tegelijk was niemand mannelijker dan jij. Want was het niet juist een mannelijk hormoon dat jouw hoofd zo deed glanzen? Jij was tenminste een man van de daad. Een man die zijn kans grijpt, die als geen ander wist dat de tijd rijp was voor sterke stimuli, hevige prikkels die de kortste weg naar het zenuwcentrum volgen. Een man die begreep dat het wereldrumoer tegenwoordig alleen nog kan worden overstemd door kernachtige statements, die makkelijk in het gehoor liggen en herhaald kunnen worden. Alles wat gecompliceerd en verwarrend was maakte jij eenvoudig en helder. Zeg toch wat, spreek, maar lig daar niet zo onbeweeglijk en stil in je graf en herrijs! Wij zijn zo moe, zo moe van het door elkaar heen praten. Daarom waren we zo blij met je: jij die iedereen het zwijgen oplegde en namens ons sprak zodat wij eindelijk weer eens konden luisteren en ons realiseren wie we waren en wat we werkelijk dachten en wilden. Eindelijk werden we ons weer bewust van onze eigen geestelijke bagage…onze innerlijke leegte welke jij als enige vullen kon. Immers jij was de enige die recht van spreken had. De enige die een opdracht had ontvangen om ons te bevrijden van het spook van de chaos. De opdracht om ons weer een gemeenschap te geven in plaats van een samenleving.  Niemand stond zo hoog als jij en kon de puinhopen beter overzien. Niemand zag scherper dat wij geen meester in ons eigen huis zijn. Door jou beseften wij pas dat wij slachtoffers waren, wat ons was aangedaan en door wie… Niemand zag scherper waar het gevaar loerde en had zo’n verheven doel als jij met je klare schoonmaaktaal… Stond ooit een puinruimer voor een zwaardere taak? Toch deinsde jij niet terug: jij trouwe zoon van ons volk. Hoewel jij veel hoger stond dan wij deed je wel alles voor ons, jij aristocratische volkstribuun. Was er ooit iemand die zo’n nuchtere belangeloze dienstbaarheid aan het algemene welzijn toonde? Was er ooit iemand die meer van zijn land hield dan jij? Niemand was beter in staat om de grijze muizen uit de wandelgangen en de achterkamertjes te verjagen en eindelijk een einde te maken aan het zorgvuldige tegen elkaar afwegen van belangen, het verzoenen van onmogelijke tegenstrijdigheden, het vinden van een consensus door het sluiten van een laf compromis. Niemand luisterde naar onze noden, behalve jij die begreep dat wij niet langer vrij wilden zijn maar geboeid door jouw magische gebaren, jouw woorden …Zeg toch wat, spreek, maar lig daar niet zo onbeweeglijk en stil in je graf en herrijs! Het volk heeft recht op je. Jij bent van ons grote buikspreker! Jij bent van ons! Als geen ander deed je ons beseffen dat wij eigenlijk nog kinderen zijn die niet alleen behoefte hebben aan geborgenheid, troost en een leidende hand maar ook aan dromen. Jij gaf ons de verbeelding terug die de grijze muizen van ons hadden afgenomen. Jij bevrijdde ons eindelijk van de nuchterheid en bracht ons in een roes. Niemand besefte beter hoezeer wij genoeg hadden van de versplintering, het eindeloze reli-shoppen. Jouw persoonlijkheid was een kunstwerk, net als jouw marmeren borstbeeld dat in jouw palazzo stond. Jouw gedachtegoed was als de supermarkt om de hoek: je kon er alles krijgen en hoefde nergens anders meer heen. Ach grote buikspreker sta op en keer terug in ons midden…Bevrijdt ons van de verveling en schenk ons veiligheid. Geef ons ons dagelijks brood, een derde huis en multi-functionele sportcomplexen waar we eensgezind kunnen dansen en onszelf vergeten tot we erbij neervallen. Geef ons megabioscopen waarin we naar de boze buitenwereld kunnen kijken zonder dat die ons deert….
Rogier O (2002, uitgesproken op de culturele tv-zender MEERtv, beeld: camera glijdt langs winkeletalages met kale mannelijke paspoppen)

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

MEER BLAUW IN DE LUCHT

Onderstaand stuk verscheen op de opiniesite van de Volkskrant: vk.nl 15-04-2012

‘VOORAL OP ONBEWOLKTE DAGEN, WANNEER DE LUCHT AL BLAUW
GENOEG IS, VERSCHIJNT DE POLITIELUCHTMACHT’

Boven Nederlandse steden cirkelt steeds vaker een ronkende helikopter of een vliegtuig. Het Korps Landelijke Politie Diensten beschikt immers sinds kort over acht met video- en warmtebeeldcamera’s uitgeruste nieuwe helikopters en drie cessna’s, die steeds meer vlieguren maken. Werden de heli’s in het verleden voornamelijk ingezet in het verkeer en bij de opsporing van milieu-delicten, tegenwoordig ligt de prioriteit bij de bestrijding van high-impact-delicten zoals overvallen en woninginbraken.

KLPD-woordvoerder Frans Zuiderhoek sprak onlangs van een groot succes: in zo’n 25 % van de gevallen dat de politieluchtvloot tot dusver bij dergelijke delicten assisteerde, vormde die de  doorslaggevende factor bij de aanhouding van verdachten.  Of de burger van dit percentage onder de indruk moet zijn en of dit zijn subjectieve veiligheidsgevoel- dat immers onafhankelijk is van misdaadcijfers en het aantal gepakte verdachten- doet toenemen is echter nog maar de vraag. Afgaande op het toenemende aantal en soort klachten dat binnenkomt bij de Stichting Helihinder Utrecht en de KLPD, bezorgt dit nogal wat burgers juist een onveilig gevoel.

Bovendien blijken de heli’s steeds vaker de nachtrust te verstoren, en vooral ook die van kleine kinderen. Via RTV-Utrecht riep de politiewoordvoerder van de regio Utrecht, Bernard Jens, burgers echter op om niet langer te klagen: “Het heeft altijd ergens mee te maken, hetzij met surveillance, hetzij omdat we op zoek zijn naar vermisten of verdachten. Bellen heeft echt geen zin.” Bij wijze van paraplu tegen de klachtenregen opent de regiopolitie tevens een speciaal Twitteraccount, waarop te zien is waar en waarom de helikopters worden ingezet.

Zo is het Nederlandse luchtruim, dat voorheen vooral het domein was van  de burgerluchtvaart en de luchtmacht die de nationale soevereiniteit bewaakte, dus plotseling in verhevigde mate een politioneel actieterrein geworden. Iedereen die zich in de sonosfeer van de luchtmanoeuvres bevindt is nu betrokken bij het misdaad- en veiligheidsspektakel.

Terwijl in de stad tot dusver een breed scala van geluiden ofwel menselijke activiteiten opklonk reduceert het aanhoudende geronk die uitgestrekte ruimte steeds vaker tot een locus delicti, een plaats van een misdaad. Sterker nog: voor de alziende panoptische cameralens van de politieheli is iedereen met een lichaamstemperatuur van plusminus 37 graden een mogelijke verdachte.

Dat de preventieve misdaadbestrijding steeds meer prioriteit krijgt blijkt ook uit een andere ontwikkeling op veiligheidsgebied: het zogenaamde SDR, (Search, Detect en React), een in Israël ontwikkelde methode om in een vroeg stadium afwijkend gedrag in mensenmenigten te ontdekken. Al enige tijd wordt de Nederlandse politie namelijk getraind door in Israël opgeleide experts. Op een websitevideo van de SDR-academie verklaart trainer Niels Brouwer: ‘Je stuurt impulsen af op een mensenmenigte en iedereen die wat te verbergen heeft zal daarop reageren en door het systeem gevangen worden.’

Tijdens de praktijktrainingen, eenmaal in de zes weken gedurende de avondspits op het Utrechtse Centraal station, zijn reeds flink wat mensen aangehouden die boetes en gevangenisstraffen hadden openstaan. Ook dit wordt door de politie gebracht als een eenzijdige successtory: geen woord over het feit dat hier sprake is van een verontrustend hellend vlak.

De politie handelt hierbij immers niet langer op basis van het wetboek van strafrechtartikel 27( volgens welke er een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit moet bestaan) maar treedt al op wanneer mensen afwijkend gedrag vertonen.  Het veiligheidsdoel heiligt immers alle middelen, zelfs de onwettige. Bovendien weet de politie inmiddels precies wat normaal gedrag is en wat niet: zoals ondermeer zweten, nervositeit, rondhangen en rechtsomkeert maken in het zicht van agenten.                                                                                                                                                                 De staat heeft niet tot taak alle mensen gelukkig te maken, het is geen geluksmachine, betoogde premier Rutte meer dan eens. Hoewel zijn  kritiek op het maakbaarheidsidealisme getuigt van nuchterheid gelooft hij blijkbaar wel in de utopie van de controlesamenleving. Onder zijn leiding wordt de geluksmachine immers omgebouwd tot een veiligheidsmachine. Tot een vesting waarin men hoe langer hoe meer vergeten lijkt dat de menselijke vrijheid ook altijd ongeborgenheid en onzekerheid inhoudt.

Vooral op onbewolkte dagen, wanneer de lucht al blauw genoeg is, verschijnt de politieluchtmacht. Met de beste bedoelingen natuurlijk: allemaal ter bescherming van de burger. Niettemin is het totalitarisme altijd een gevolg geweest van een idealistische overheid die de burger al te zeer meende te moeten beschermen tegen het kwaad.

Rogier Ormeling


P.S Inmiddels heeft de politie het twitteraccount @de politieheli geopend. Volgens de Utrechtse internetcourant zijn er inmiddels 30.000 volgers, maar biedt de politie, zoals natuurlijk te verwachten viel,  slechts beperkte informatie.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Stal Rob Voerman de Armory Show?

Van 8 t/m 11 maart vindt de jaarlijkse Armory Show plaats, met 243 galleries uit 22 landen niet alleen New York’s grootste internationale Contemporary Art Fair maar ook een van de belangrijkste ter wereld. Ook de Amsterdamse Upstream Gallery is  vertegenwoordigd met werk van Rob Voerman, waaronder een toegankelijke sculptuur, waarin je een whiskey kunt drinken, zie foto. ‘Ze staan in een rij, van soms wel 30 tot 40 man lang,  om mijn werk van binnen te bekijken…Echt waanzinnig hoe er hier nu op m’n werk wordt gereageerd… Ik sta er zelf nog erg verbaasd van…Over 3 weken weer naar Nederland met beide beentjes op de grond….,” zo mailde Rob, die momenteel artist-in-residence is in New York, mij.  Wat hielp en waar iedereen naar uitkeek was natuurlijk de recensie in de New York Times. Daarin besproken of alleen maar genoemd worden wil ten slotte elke gallerie en kunstenaar. En verdomd, criticus Ken Johnson noemde Voermans installatie zelfs emblematisch voor de 21e eeuw-sectie van de Armory:

Rob Voerman’s “Dawn of a New Century” at Upstream is emblematic. It is a bulbous, walk-in hut constructed of torn and battered pieces of cardboard cartons. Rough, projecting boxes frame small, green glass windows, creating a dusky, verdant light within, where you can sit on a bench and have a shot of whiskey decanted from a bottle on a shelf at the entrance. Outside you see the remains of a gridded, partly burned structure with exposed red and yellow studs and flat gray panels: the order of 20th-century constructivism has given way to post-apocalyptic hive making. Green, we should bear in mind, is the color of new growth and hope.

Klik op onderstaande link om de hut-sculptuur van binnen en buiten te zien, inclusief interview met de kunstenaar, ook zijn Engels mag er zijn!

Rob Voerman at Armory Show 2012 | VernissageTV on Blip

In 2010 had Voerman een spraakmakende solo in het Cobra museum. Dit jaar brengt het Coda in Apeldoorn vanaf 21 april 2010 een selectie van zijn werken en die van zijn vrouw, fotografe Miyuku Okuyama.

Ter gelegenheid van zijn grote Cobra-solo schreef ik in maart 2010 een stukje over Voermans aquarel Junction (193 x 116 cm) voor  Galeries.nl  dat ik dezelfde avond voorlas in het VPRO-radioprogramma De Avonden. Een half jaar later bezocht ik hem in zijn toenmalige atelier in Arnhem voor Tableau Fine Arts Magazine.

We staan altijd op een kruispunt met mogelijkheden: draait u maar aan de roulette van de geschiedenis. Eerst hadden we piramides en kerken die ons de weg naar de eeuwigheid en verlossing wezen. In de 19e eeuw nam de politiek de religieuze verlossingsmythe over. Het vooruitgangsgeloof vond haar zichtbaarste uitdrukking in architectuur die nog verder naar de hemel reikte. Niet meer trapsgewijs of met onnodige versieringen maar zonder omwegen: recht omhoog. De moderniteit had geen tijd meer te verliezen: de hemel moest namelijk snel met de aarde samenvallen. Ook de tijd werd volkomen lineair, het verleden mocht niet meer terugkeren. Niet alleen de nostalgie maar zelfs het hele verleden werd als ziekte gediagnosticeerd, alsof het een melaatse betrof waarvan men zich zo snel mogelijk diende te distantiëren. Innovatie! Het verleden is achterhaald en even onderontwikkeld als Afrika: er gebeuren alleen maar rampen! Het verleden is een zolder waar slechts armzalige rommel ligt. Een schimmige herinnering die ons ongevraagd bespringt. Een dode die niet in zijn graf blijft. Weg met die ouwe koek! Het verleden is de schuld van alles! Let’s make things better. Traditie? Laat de doden hun mond houden! Gij zult de dingen in beweging brengen. Voorwaarts mars! Change! Banzai! Avanti! Wir fahren nach England!
‘Er komt geen einde aan de cyclus van orde en anarchie,’ fluisterde Spinoza nog, maar hem luisterde niemand meer. En zo dreunde het maar door met de moderniteit, van een debat was geen sprake. Steeds weer beukten de sloophamers hetzelfde monologische refrein: de toekomst is onvermijdelijk, economische groei en expansie! Alle grenzen en obstakels zullen uit de weg worden geruimd. Problemen? Zoals wij modernen weten: problemen zijn uitdagingen die per definitie oplosbaar zijn. Alles is mogelijk. De mens zal volledig bezit van de toekomst nemen en beheersing over zijn eigen lot verkrijgen. Aan de menselijke toestand zal een eind komen….
Inderdaad, daarin zou de moderniteit gelijk krijgen: aan de menselijke toestand kwam een einde. Zij het achter het prikkeldraad van de arbeids- en concentratiekampen. De vooruitgang en de toekomst werden immers een gigantische gevangenis, waarin voor het individu geen plaats meer was. De mensen beheersten de vooruitgang niet meer, de toekomst verpletterde de mensen. En nog steeds, want zoveel hebben we niet geleerd. Al moeten we zeker blij zijn met de mensenrechten, die vormen een subliem kunstwerk…. Jammer alleen dat ze zo broodnodig zijn… Maar voor de rest…? Vooruitgang is allang geen vooruitgang meer, maar vooral een blind behoud van razende beweging. En dat terwijl in een wereld waarin alles vooruit streeft, alleen een stapje terug nog als vernieuwend kan worden beschouwd.
En kijk dan eens naar deze fraaie aquarel van Rob Voerman. Vanuit het hart van zijn moderne stadsgezicht en vanuit het diepst van de aarde en de geschiedenis, kronkelt een kruising tussen een Noord-Amerikaanse totem, een Maya en Azteekse tempel omhoog ……Niet als lineaire verlossing maar als oersymbool van de cyclische tijd. Immers: alles gaat voorbij, behalve het verleden.

© Copyright 2012: Rogier Ormeling. (op Galeries.nl)

Hieronder het straight quote interview in Tableau dec 2010-januari 2011

De  afgelopen jaren zat ik in dit voormalige kantorencomplex van de gemeente Arnhem.  Een Amsterdamse School gebouw met bunkerachtige details die doen denken aan Frank Lloyd Wright, een architect die ik zeer bewonder. Mijn beelden en architectonische installaties maakte ik beneden. Verderop, in een grote industriële loods van 120 m2 met roldeur en bovenloopkraan. Daarnaast gebruikte ik dus deze voormalige kantoorkamer, van 6 bij 7 met systeemplafond verlichting. Als  produktiehok voor kleiner werk: aquarellen, grafiek en maquettes van karton, piepschuim en glas.  Zoals die maquette met dat rode glas voor een ruimte in de entreehal van een verzekeringsmaatschappij.

Die andere her en der verspreide maquettes ben ik nog aan het bijschaven. Ik noem ze ook wel beelden: omdat ze niet alleen als model voor grote installaties dienen maar ook een zelfstandige wereld vormen.
Het meest bijzondere van dit atelier is natuurlijk die raampartij met dat wijdse stadspanorama. Van rechts naar links:  naast het NS-station die beide kantoortorens naar een ontwerp van Bert van Berkels UN-studio, dan de Eusebiuskerk het eeuwenoude symbool van Arnhem dat nu in de steigers staat omdat de steen helemaal verrot is,  het oude en het nieuwe stadskantoor, de schoorsteen van de Coberco melkfabriek waar mijn vader eerst als laborant en later als hoofd laboratorium werkte en tenslotte dan de John Frostbrug over de Rijn, beroemd van de Slag om Arnhem.  Een dergelijk verrommelde chaotische assemblage van oude en nieuwe architectuur, van hergebruikte elementen en overgebleven decorstukken zoals die Coberco-schoorsteen, zie je ook wel terug in mijn installaties, grafiek en aquarellen.  Toch ontleen ik mijn ideëen niet aan dit stadsgezicht maar aan andere bronnen. Dingen die ik elders zie en hoor, radio, televisie en ga zo maar door. Al geniet ik natuurlijk erg van dit uitzicht. Ook die wolkenluchten en zonsondergangen zal ik zeker missen nu ik hier weg moet omdat dit complex tegen de vlakte gaat. Gelukkig heb ik in Groessen, een dorp vlak bij Zevenaar, bij een voormalige boer een monumentale koeiestal kunnen huren. Daar heb ik mijn beide ateliers samengevoegd, zodat ik zowel kan lassen, hout bewerken en kleiner werk maken. Behalve het uitzicht hier zal ik ook die bovenloopkraan in de loods beneden erg missen. Voor echt grote projecten huur ik dan tijdelijk een grote industriële ruimte.  In de stal bouw ik nu een geisoleerd hok dat ik in de winter extra kan verwarmen. Zo’n plattelandsomgeving is vanwege de rust  heel prettig aan de andere kant kan ik niet even de stad in om koffie te drinken en een krantje te lezen. Ook in een ander opzicht is dat trouwens nog steeds niet mijn gedroomde atelier. Dat is er een waarvoor ik geen huur betaal en waarbij ik ook zou wonen.

Zo’n tweëenhalf jaar geleden dacht ik: ik heb nog een aquarelblok, laat ik het eens proberen. Sindsdien heb ik ontdekt dat dit medium een mooi complement voor mijn installaties vormt.  Hoewel het op zich een verstilde meditatieve bezigheid is maak ik bij voorkeur grootformaat aquarellen. Net als in mijn installaties heb ik ook hier de ambitie om een hele wereld te laten zien, waarin de toeschouwer kan verdwijnen. Het is een mooie blijk van waardering dat ik nu in december voor mijn aquarellen de Jeanne Oostingprijs 2010 krijg uitgereikt. Blijkbaar zit het in het DNA van de familie, want mijn overgrootvaders broer, Jan Voerman sr, de bekende 19e eeuwse Ijsselschilder en zijn zoon Jan Voerman jr aquarelleerden ook. Helaas ben ik dit laatste jaar weinig aan de intimiteit van dit kleine atelier toegekomen. Met de organisatie van mijn solo-expo in het Cobra Museum was ik zeker een half jaar in de weer. Mensen kunnen zich vaak niet goed voorstellen wat voor werk daar allemaal achter steekt. Eerst alles voorbereiden, thuis achter de computer: financiën, subsidie. En dan de hele logistieke operatie: inclusief drie vrachtwagens van veertien meter die komen voorrijden. Ik ben toch een halve aannemer. Al dat geregel kost veel tijd en energie.

Moonshine 2006 Hout, glas, likeur, asbak, 230 x 170 x 130cm Het werk functioneert als bar en rookruimte.

Gelukkig heeft mijn vader de Cobra-opening nog in redelijke gezondheid kunnen meemaken, dat was heel bijzonder. Maar daarna ging het bergaf. Ik heb hem nog een maand verzorgd, voordat hij tenslotte overleed aan lymfekanker. Tussendoor nog een installatie in Antwerpen. Een jaar van dieptepunten en hoogtepunten. Ook ben ik nog drie weken naar Japan geweest. Om daar op traditioneel Japanse wijze in kimono te trouwen. Met Miyuki Okuyama, die ik leerde kennen toen ze hier kwam als fotografe- in-residence.  We hebben onze eigen stijl en toch heeft ons werk veel raakvlakken, ze bouwt ondermeer maquettes die ze fotografeert.  Niet alleen spreekt ze perfect Engels maar inmiddels heeft ze ook Nederlands geleerd. Hoewel ik geen Japans kan ben ik er toch nog in geslaagd om tijdens de huwelijksceremonie een Japans toespraakje te houden, die ik fonetisch had voorbereid.  Na zo’n druk en intens jaar met al die rompslomp rondom de Cobra-expo en nu weer de bouw van het geïsoleerde hok in Groessen en de verhuizing hoop ik dat mijn nieuwe atelier snel af is.  Want ik snak ernaar om weer een nieuwe serie kleiner werk te maken.

Rob Voerman is inmiddels naar zijn nieuwe atelier in Groessen verhuisd. Als reactie op het regeerakkoord van het kabinet-Rutte schreef hij oktober 2010 een boze brief aan VVD-kamerlid Atzo Nicolaï, enkele citaten:

‘Ik ben diep verontwaardigd dat U en vele partijgenoten met U, die ooit pal stonden voor cultuur, nu toestaan dat de cultuur in Nederland grotendeels kapotbezuinigd wordt.’

‘Uw partij heeft ingestemd om samen te werken met een partij die kunstenaars afschildert als linkse hobbyisten en subsidiesponzen. Leden van het gerenommeerde Residentie Orkest worden afgeserveerd als een stelletje toeteraars, en zo kan ik nog wel even doorgaan.

‘Voor  mij persoonlijk is het rampzalig en betekent het, dat ondanks mijn succes, mijn toekomst als internationaal opererend kunstenaar, die o.a. is opgenomen in toonaangevende collecties als het Museum of Modern Art in New York en het Stedelijk Museum, uiterst onzeker wordt. Iets dat voor nagenoeg iedereen, die werkzaam is in de cultuursector, opgaat.’

Naar aanleiding van zijn brief ontving Voerman steunbetuigingen en bedankjes van podiumkunstenaars en beeldende kunstenaars.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Een verbijsterde dompteuse: Daniel Richter

Als een bloedspoor door een sneeuwlandschap, als een karavaan van rode pinguins. Army of traitors (2 x 3 m, 2011), een recent en geweldig schilderij van Daniel Richter, dat onlangs nog te zien was in galerie Contemporary Fine arts in Berlijn. Klik er maar eens op! Slaat dit wellicht op het verraad van die sociaaldemocraten die met hartelust meewerkten aan de privatisering dmv de uitverkoop van de overheid? Dat mag u helemaal zelf bepalen.

Over Richter schreef ik twee keer, een maal in de Groene Amsterdammer, naar aanleiding van zijn grote solo in het GEM van oktober 2007/maart 2008, en een maal in het Financieel Dagblad naar aanleiding van een expositie in galerie GRIMM in Amsterdam. (You can find the English translation of the first text underneath the second text)

EEN VERBIJSTERDE DOMPTEUSE

Alle kunst is een abstractie van de werkelijkheid. Het onderscheid tussen abstractie en figuratie is maar een constructie. Neem nu Fool on a Hill(1999), van de Duitse kunstenaar Daniel Richter(1962). Het forse doek (255 x405 cm) doet weliswaar heel abstract aan maar lijkt tegelijk een figuratieve weergave van een abstract decor. Onderin het beeldvlak is namelijk een witte ruimte uitgespaard waardoor de illusie van een leeg podium is gecreëerd. Het decor is de enige act. Een dionysische wemeling van felgekleurde en hectisch dansende vormen –een mix van surrealistische arabesken, dripping à la Pollock, psychedelische flowerpower en graffiti—springt de toeschouwer tegemoet. Het kan bijna niet anders of hier is sprake van een verbeelding van de oerchaos van het Zijn, de duizelingwekkende diversiteit en ziedende overvloed van de natuur. Richter opent grootse schouwtonelen. En hoe meer er te zien valt hoe meer door alle drukte de pijnlijke leegte van het niets schemert.


Dat geldt ook voor de imposante figuurstukken die hij vanaf de eeuwwisseling schildert. In Fun de siècle(2002) verlicht een villa de nachtelijke tuin waar een reusachtige messianistische figuur gitaar speelt voor een publiek dat vooral bestaat uit naakte stelletjes die volledig in zichzelf opgaan. Behalve de vage spiritualiteit en het hedonisme is er niets dat hen bindt. De omringende duisternis en de bladerloze bomen met hun vergeefs naar de hemel reikende takken maken duidelijk dat een echte transcendentie er niet inzit.

Ook in Punktum(2003) lijkt sprake van een messias. Temidden van een met vurige kleuren geschilderde mensenmassa is een sneeuwwit silhouet op een duistere aarde neergedaald. Afgaande op de angstige en bezorgde gezichten wordt hij echter allerminst als wonderdoener onthaald.
Keer op keer etaleert Richter scepsis ten aanzien van grote utopieën die verlossing beloven. Het is hem niet ontgaan dat voor de creatie van een nieuwe mensheid miljoenen mensen zijn geofferd. In Captain Jack(2006) zien we het bloedrode silhouet van een geüniformeerde enkeling met pistool in de hand tegenover een kaalgeschoren menigte.

Tot ieders afgrijzen dwarrelen er papieren uit zijn rechterhand. Het pleidooi is afgewezen, het laatste oordeel geveld, iedereen moet sterven. En toch zindert het doek van kleur terwijl het bovendien uit een bont decor van heterogene architectuurelementen bestaat.

Hoezeer Richter´s personages ook naar verlossing snakken, zij ontsnappen nooit aan het strijdperk van de natuur en de geschiedenis. In Tuwenig(2004) is een vrouw in variétépakje in een nachtelijk bos omsingeld door wolfshonden. Haar bezwerende gebaar is dat van een verbijsterde dompteuse. Tussen het groene gras krioelen rode verfklieders, op de achtergrond zien we pierlala. Het is een sterk en bovendien humoristisch beeld van de menselijke situatie. Ook daarin schuilt de kracht van Richters werk: zwaarte en lichtvoetigheid zijn voortdurend in dialoog met elkaar. Met de nonchalance van een rijke erfgenaam strooit hij met citaten uit de hele kunstgeschiedenis, stripboeken en andere massamedia. Al kun je eigenlijk niet van citaten spreken, daarvoor heeft hij ze tezeer in zijn eigen idioom vertaald en verborgen.

In Pink Flag(2003) vechten honden, paarden en worstelaars tegen de achtergrond van een flatgalerij die wordt gesuggereerd door een abstract mozaiek van vrolijke kleurvakjes.
Ondanks de oorlog van allen tegen allen biedt Richters fenomenale kleurspectrum enige troost. Prachtig is ook zijn gebruik van luminescente kleuren, die ontleend zijn aan infrarode warmtebeeldcamera´s. Zo lijken de lichamen van zijn personages hun emotionele temperatuur te verraden. Richter’s spektakels baden bovendien vaak in bliksem-, röntgen- of atoomflitslicht. Explosief en kortstondig licht dat vooral het tijdelijke van alles zichtbaar maakt. Op talrijke grootformaten wisselt Richter zijn virtuoze Bruegeliaanse massaregie af met het achteloze schildersgebaar: het is maar kunst, niet de werkelijkheid. Juist die relativering maakt zijn werk nog waarachtiger.

R.O in de Groene Amsterdammer, al had de eindredactie de titel veranderd in Het is Maar Kunst

DANIEL RICHTER
Die Palette 1995-2007
GEM-Museum voor actuele Kunst
Den Haag tot 23 maart 2008

VRIEND OF VIJAND?

Een kenmerkend motief in het werk van Caspar David Friedrich(1774-1840), de aartsvader van de Duitse romantici, is de op de rug geziene figuur tegen de achtergrond van een imposant berglandschap. Ook in recente olietekeningen van zijn landgenoot Daniel Richter(1962) komen we meerdere rugfiguren tegen.

Alleen dragen ze hier tulbanden, kaftans en soms een geweer. Bovendien heeft het ruige landschap veel weg van Afghanistan. Zijn het Talibaanstrijders? Is dit de vijand, of staan zij aan onze kant? Aangezien we over hun schouders meekijken en ons dus ongeveer op hetzelfde standpunt bevinden ontkomen we er niet aan om ons in hun gemoedstoestand te verplaatsen. De verte lonkt, maar de toekomst is ongewis.

Als hemelbestormende romantici klauteren we met een groepje de bergtop op, waarachter rookwolken opstijgen: hoe dichter bij de hemel hoe dichter bij het front, en andersom.

Soms lijken we eerder verzeild in een avontuur van Kara Ben Nemsi, Karl May’s nobele Arabische held. Ook zien we op enkele tekeningen eenzame rugfiguren die geen geweer dragen maar gitaar spelen in het openluchttheater van de natuur. Of het nu Karl May-personages of hippies of Talibaanstrijders zijn, Richter speelt dus een spel met onderling verwisselbare romantische identiteiten. Bovendien zet hij het neer met vibrerende lijntjes die de permanente metamorfose van de verschijningsvormen weergeven. Naast elf tekeningen toont galerie Grimm ook tien schilderijen.

In Flash (2009) zien we een twintigtal opvarenden zich vastklampen aan een omgekiepte boot. Uiteindelijk lijden alle romantische idealen schipbreuk.  De individuele trekken van de drenkelingen zijn geabstraheerd tot algemene gezichten van radeloze angst en schatplichtig aan Edvard Munch. Ontdekt door een zoeklicht schreeuwen ze in onze richting om hulp.

Rogier Ormeling Financieel Dagblad

DANIEL RICHTER  28 nov-9 januari 2010 Galerie GRIMM Amsterdam

A BEWILDERED ANIMAL TAMER  

All art is an abstraction of reality. The distinction between abstraction and figuration is just a construction. Take Fool on a Hill (1999) by German artist Daniel Richter (1962). Although this large canvas has a very abstract touch, it also looks like a figurative representation of an abstract décor. The fact is, at the bottom of the image a white space is left open, thus creating the illusion of an empty stage. The theatre setting is the only act. A Dionysian teeming of brightly coloured and hectic dancing forms – a mixture of surrealist arabesques, drippings reminiscent of Pollock, psychedelic flower power and graffiti – greets the spectator. This cannot but be a representation of the primal chaos of Existence, the dizzying diversity and seething abundance of nature. Richter opens spectacular scenes. And the more he reveals, the more the painful emptiness of nothingness, filters through the hustle and bustle.

The same applies to the imposing figure pieces he has been painting since the turn of the century. In Fun de siècle(2002), a villa lights up the garden at night, in which a gigantic Messianic figure plays the guitar in front of an audience consisting mainly of naked couples that are totally wrapped up in themselves. Apart from the vague spirituality and the hedonism, there is nothing that binds them. The surrounding darkness and the leafless trees with their branches that reach for the sky in vain make it clear there is no real transcendence. In Punktum (2003) there seems to be a Messiah-like figure as well. Amidst a mass of people, painted in fiery colours, a snow-white silhouette has descended on a dark earth. Judging by the fearful and worried faces he is not in the least welcomed as a miracle worker.

Over and over again, Richter demonstrates his scepticism towards great utopian projects that promise redemption. He did not fail to notice that millions of human beings have been sacrificed for the creation of a new mankind. In Captain Jack (2006) we see the blood-red silhouette of a uniformed individual with a pistol in his hand standing opposite a crowd of shaven-headed people. To the dismay of everyone he lets a bunch of papers slip from his right-hand. The plea is rejected, the last judgement has been made and everybody must die. And yet the canvas vibrates with colour, what’s more, it is composed of an abundant décor of heterogeneous architectural elements.

No matter how much Richter´s characters yearn for redemption though, they never escape the battlefield of nature and history. In Tuwenig (2004) a woman wearing a vaudeville suit is surrounded by wolfhounds in a nocturnal forest. Her defiant gesture is that of a bewildered animal tamer. Amidst the green grass red paint splatters swarm and in the background we descry the Grim Reaper. It is a powerful and also witty image of the human condition. This is also where the strength of Richter’s work lies: gravity and nimbleness are in continuous dialogue. With the casualness of a rich inheritor he scatters quotations from the entire history of art, cartoons and other mass media. Actually, they can hardly be called quotations, since he has hidden and translated them too well into his own idiom.

In Pink Flag (2003) dogs, horses and wrestlers are fighting against the background of a flat gallery that is suggested by an abstract mosaic of colourful compartments. Despite the war in which everyone fights against everyone, Richter’s phenomenal range of colours offers some consolation. Splendid is also his use of luminescent colours, which have been derived from infrared heat-sensitive cameras. Thus the bodies of his characters seem to give away their emotional temperature. Apart from this, Richter’s spectacles often are bathed in lightning, and X-ray- or atomic flashlight. Explosive and momentary light that reveals the transience of everything. On numerous large formats Richter alternates his virtuoso Bruegelian mass choreography with the seemingly casual painter’s gesture: it is just art, not reality. Exactly this toning down makes his work even more truthful.

Rogier Ormeling (translation: Robert-Jan Breeman)

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Wakker gehouden worden door een raadsel: Henk Visch Solo in KAdE

Beste mensen, beste Henk, Irene

Natuurlijk ben ik ter voorbereiding op mijn speech een kijkje gaan nemen tijdens de opbouw van deze tentoonstelling. En natuurlijk hebben Henk en ik toen met elkaar gepraat. Al was het een eigenaardige dialoog.

Het ene moment was hij zo lang als een lantaarnpaal zodat ik steeds omhoog moest kijken, het volgende moment had hij zich weer onzichtbaar klein gemaakt als een embryonaal paardje, zodat ik naar hem op zoek moest gaan: ’Henk?’ ’Ja,’ klonk het dan verrassend helder en dichtbij, terwijl hij zonder armen voorovergebogen naast me een tukje stond te doen, om plotseling weer grote kolenschophanden tevoorschijn te toveren die zich grijpgraag naar de toekomst uitstrekten, zich daarna weer flinterdun te maken en zich uiterst alert en krijgshaftig op te stellen in de strijd tegen de derde dimensie, en niet te vergeten de strijd tegen het woord: ’Ik heb een hekel aan woorden, ik wil alleen maar beelden!’ Vervolgens ging hij er weer vandoor als een haas die getrouwd is met een aap of vroeg hij onverwacht tweekoppig: ’Do you want to change your life?’ om het antwoord niet af te wachten maar zich op te blazen tot een kolos die er met indringend rode ogen aan toevoegde: ’You cannot escape the consequences of your choice!’ Of zich te ontpoppen als een droevige waarzegger die nergens meer van opkijkt maar alleen nog tegen de aardbodem prevelt: ‘Die zukunft gehört keiner.’ Nadat hij een paar onwaarschijnlijke balletoefeningen had gedaan waarbij zijn hoofd op een gegeven moment zelfs achterstevoren op zijn romp zat zei hij: ’Wat zou het mooi zijn als je inplaats van een speech te houden alleen maar ging huilen.’

’Sjongejonge Henk,’ vroeg ik me hoe langer hoemeer inwendig af: ’wat is er toch allemaal aan de hand, en dan bedoel ik een hele grote HAND met kapitale hoofdletters… Hoe is het toch allemaal zo gekomen? Wat is er gebeurd? Vroeger was je zo’n gezonde…Werkten je ouders niet bij Philips? Wanneer is het begonnen?’


Bij de beantwoording van die vraag werd ik geholpen door het interview van Robbert Roos met Henk, dat in het fraai geïllustreerde boek staat dat ter gelegenheid van deze tentoonstelling is uitgegeven. Als Robbert aan Henk vraagt hoe een beeld ontstaat, of hij vanuit een tabula rasa begint, antwoordt Henk ondermeer: ‘Er ís geen begin. Een kunstenaar antwoordde ooit op dezelfde vraag I always start at the middle. Dat vind ik fantastisch, want je weet eigenlijk niet waar dat is, ik begin zomaar ergens.’
Toen ik dit las moest ik onwillekeurig denken aan het feit dat Henk op 18 september 1950 is geboren, dus bijna precies in het midden van de 20e eeuw. Een eeuw waarin door nationale staten plusminus 170 miljoen mensen werden omgebracht. En dat in naam van de vooruitgang, want de rede die beloofd had de mens vanuit de kwade geschiedenis naar het goede te leiden, had zich juist in dienst van de barbarij gesteld. Al die offers werden namelijk steeds gerechtvaardigd met de redenering dat de geboorte van de ware beschaving slechts kan worden teweeggebracht door een bloederige keizersnede. Het stralende toekomstlicht aan het einde van de historische tunnel heiligde volgens Stalin, Hitler, Mao en anderen immers alle middelen. Waar gehakt wordt daar vallen nu eenmaal spaanders, of zoals Lenin graag herhaalde: je kunt geen omelet bakken zonder eieren te breken. Aldus had de rede zich ontpopt als de advocaat van de waanzin die de beschaving vernietigde. Ja, laten we niet vergeten dat die verschrikkingen het resultaat waren van een optimistische opvatting van het bestaan, oftewel van een gebrek aan tragisch besef.

Het feit nu dat de rede zelf haar verstand had verloren vormt volgens mij de diepere ondergrond van Henks werk. Steeds weer nemen zijn tekeningen en sculpturen de aanspraken van de rede op de korrel. Weliswaar nodigen zijn beelden uit tot een nadere kennismaking, maar dit blijkt vooral om de toeschouwer ervan te doordringen dat zij zich maar amper laten kennen. De Franse filosoof Emmanuel Levinas schreef na de oorlog: ’Een mens ontmoeten betekent wakker gehouden worden door een raadsel.’ Die uitspraak was gericht tegen elke ideologie die het mysterie van de werkelijkheid, de mens en diens toekomst meent te kunnen vatten, die precies weet voor welk groots doel ieder mens geboren is. De beelden van Henk Visch hebben een vergelijkbare strekking: zijn kunstwerken ontmoeten betekent wakker gehouden worden door een raadsel. Neem de sculptuur Die Zukunft gehört keiner, die ergens nog herinnert aan een ronde bol die echter tot schijnbaar vormeloos schuim is uitgebubbeld, als een te lang gekookt ei dat spot met de maakbaarheidsgedachte- ook in die zin dat dit werk gaat over de onmogelijkheid om een vormeloze vorm te scheppen. Zou het toeval zijn dat dit beeld zo prominent voorin het aan Henk gewijde boek staat? Let op het jaartal 1989, het jaar waarin de Berlijnse muur viel. Het jaar waarin het Sowjet-communisme het toneel ruimde voor de ideologen van de vrije zelfregulerende markt die nu op hun beurt de toekomst opeisten. Daarbij gingen ze uit van het zogeheten rationele keuzemodel. Hetgeen wil zeggen dat als de mensen kunnen kiezen iedereen zijn individuele eigenbelang zal nastreven aangezien dit de meest rationele handelwijze is, die uiteindelijk zal leiden tot het geluk van het grootste aantal mensen in de beste van alle mogelijke werelden… Helaas, alweer bleek de rede zich te hebben vergist, opnieuw bleek zij haar verstand te hebben verloren.


Nee, grote verhalen vertellen de beelden van Henk niet, ze reiken slechts suggestieve flarden aan, we mogen op bezoek komen maar zij stellen prijs op hun privacy. Weliswaar bieden zij zich aan onze blik aan, maar zij leveren zich daar slechts voor de schijn aan uit, want zij laten zich nooit helemaal vatten. Ze weten immers hoe penetrerend en heerszuchtig onze blik is, die alles zo snel mogelijk met één oogopslag wil overzien, categoriseren, meten en verklaren. Maar dáárvoor hebben deze wetende vertegenwoordigers van het niet-weten geen tast- en zichtbare vorm aangenomen! Eerder zijn zij op het toneel verschenen om paal en perk te stellen aan de opdringerige expansie van de zogenaamde kennis die alles wil beheersen door het te identificeren en te registreren. Zij weigeren stomweg hun paspoort te laten zien, sterker nog: ze hebben helemaal geen papieren. En tóch eisen deze statenlozen hun plek op, delicaat en weerbarstig, sensueel en afstotend, gewichtloos en zwaar, transparant en gesluierd… Op hun rug liggend als Egyptische papyrusbootjes, of gewoon geheimzinnig gondelend in de Venetiaanse nacht, wegzwierend als balustrades die genoeg hadden van hun balkon, zwijgzaam stenen sjouwend als kleinkinderen van Sisyfus, plotseling versteend de oren spitsend als een haas, behoedzaam met hun antennesprieten de omgeving aftastend als diepzeevissen, gestroomlijnd voortijlend als een waanzinnige snelheidsduivel, heen en weer kaatsend als verdwaasde snookerballen, gewoon maar stilstaand om tijdloos te zijn en in de verte naar het eigen innerlijk te staren, elkaar passerend zonder te groeten, Noord-Koreaans synchroonschaatsend of eenzaam gymnastiekend, voorbij een hekwerk vol jubelende spiralen om verderop in bontgekleurde totemistische bloei te staan, of een meedogenloos cilindrisch monster te wezen dat ons eraan herinnert dat het leven geen grap is…Elkaar aantrekkend en afstotend, confronterend, bezwerend en toch de ruimte gunnend. Kortom: een even vitalistische als dramatische viering van de pluriformiteit.

Wat zich achter deze deuren afspeelt, is, namelijk niet zozeer een vorm van samenleven, maar een groots en uniek experiment in verdraagzaam samen-ZIJN. Hebben we hier dan toch weer te maken met een model voor de toekomst? Dat mag u helemaal zelf bepalen. Maar ik zeg u dit: wilt u van uw pensioen blijven genieten dan redt u dat niet zonder immigratie. Wat niet wegneemt dat er ook hier, het dient gezegd te worden Henk, sprake is geweest van uitsluiting. Zo ben ik er persoonlijk getuige van geweest dat een kunstwerk dat hier al in de zalen aanwezig was, alsnog wegens onaangepast gedrag door de maestro werd weggestuurd. En dat ging bepaald niet zonder een diskwalificerende krachtterm. Stel je voor: als kunstwerk droom je ervan om op een grote solo van je schepper te staan en als je dan zó aan een reunie met je oude maatjes hebt geroken en vlak voor de opening alsnog de deur wordt gewezen, dan is dat zondermeer een traumatische ervaring. Besef je wel wat je je kunstwerken aandoet Henk?, zo vroeg ik me dan ook af. Maar goed, ik wil maar zeggen: ook de wereld van Henk Visch bestaat slechts bij de gratie van grenzen.

’Vanaf de eerste dag van de schepping zweeft het woordje ‘waarom’ door de kosmos. De hele natuur roept de schepper onophoudelijk toe: Waarom? en krijgt maar geen antwoord’, zo zegt kapitein Lebjadkin, een van de personages in Dostojevski’s roman Duivels. Hetzelfde vraagteken zweeft dus ook rond de beelden van Henk Visch. Al lijken zij die vraag ook terug te kaatsen: ‘Waarom niet? Hoezo niet? Wie is hier nou vreemd? Wie is hier nou in de grond geworteld? Jij of wij? Er zat een gat in de ruimte en daarin pasten wij precies. Dacht jij soms dat wij een produkt van de verbeelding waren en jij een rationeel wezen?’… Zodoende zijn de sculpturen van Henk verwanten van de personages in Alice in Wonderland: terwijl Alice van de ene verbazing in de ander valt twijfelen die geen moment aan zichzelf maar herinneren haar eraan dat zij een vreemdeling is: Who do you think you are?, zo luidt de titel van een werk van Henk, ‘WHO ARE YOU !’, vraagt de rups aan Alice. ‘I hardly know sir just at present, at least I knew who I was when I got up this morning, but I think I must have changed several times since then.’ ‘What do you mean by that?’ zegt de rups streng. ‘Explain yourself!’ ‘I can’t explain myself I am afraid sir, because I am not myself you see…’


Tenslotte dit:
Natuurlijk is Henk óók een erfgenaam van de negentiende-eeuwse romantici, het romantische is immers een fantastisch en vindingrijk avontuur en dat geldt ook voor deze tentoonstelling waar het klatsjt als een springtouw, en vloeit en bloeit en spookt. Een avontuur dat zeer goed tot zijn recht komt hier in Kunsthal KAdE. Ten eerste omdat het volkomen logisch is dat een kunstenaar die in het midden van de 20e eeuw is geboren en zijn werk bovendien altijd in het midden begint uiteindelijk een grote solo in het midden van Nederland krijgt. Ten tweede omdat deze expositieruimte met zijn verschillende verdiepingen en de daarmee gepaard gaande kijkjes van boven naar beneden, een grote variatie aan perspectieven biedt die uitstekend past bij Henks werk, dat voortdurend heen en weer slingert tussen het verticale en het horizontale, tussen haast gewichtloze opstijging en verpletterende zwaartekracht. Een avontuur dus zei ik… zonder chronologie of plot, dat koorddanst boven een afgrond, dat speelt met de koude, nietszeggende leegte van de materie. Want een échte romanticus zoals Henk maakt de natuur niet lieflijker dan zij is maar staart ook steeds weer in haar verschrikkelijke muil. Want dát is sublieme poëzie: steeds weer afdalen naar het betekenisloze, alleen in die oergrond kunnen we immers zelf betekenis vinden, zin ontfutselen aan het zinloze en toch het onbegrijpelijke, onvatbare en onuitsprekelijke eer aandoen.
Ik dank u voor uw aandacht en verklaar de tentoonstelling voor geopend!
Rogier Ormeling

Henk Visch Solo t/m 6 mei 2012 Kunsthal KAdE  Amersfoort

(van boven naar beneden foto 1:  beeldengroep op de achtergrond Enemies of the third dimension, beeld voorgrond Lonely Feelings on Landing.  Foto 2 links: I know your face but forgot your name, rechts: Ik was getrouwd met een aap Foto 3:  Quelle couleur: van l naar r Robbert, Henk en Irene tijdens speech. 4:  Young man with future.  5: The Fortune teller.  6: zonder titel  7: L’absente de tous bouquets.  8: For our young friends. 9: I found real happiness nowhere but it is doubtless here)

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Paul Klee en Cobra: Het kind is de vader van de kunstenaar

Klee en Cobra. Het begint als kind, de tentoonstelling die vanaf 28 januari 2012 t/m 22 april in het Cobra Museum is te zien wordt ongetwijfeld een zintuigelijk feest. De expositie toont de invloed van Paul Klee (1879-1940) op de Cobra kunstbeweging (1948-1951) en focust met name op de gedeelde fascinatie voor de verbeeldingswereld van het kind. In totaal worden 120 topstukken van Klee  en circa 100 hoogtepunten van Cobra ( Karel Appel, Constant, Corneille, Eugène Brands, Asger Jorn en Pierre Alechinsky enz) uit internationale collecties bijeengebracht. Hieronder het artikel dat ik schreef voor Tableau Fine Arts Magazine

HET KIND IS DE VADER VAN DE KUNSTENAAR

De kunst ontwikkelt zich zoals de levensloop van organismen: geboorte, groei, wasdom, verval en dood. Zo meende Aristoteles in zijn Poetica (circa 335 voor chr.) Met die organische visie legde hij het fundament van de westerse kunstgeschiedenis en kunstkritiek. Voortaan gold het subjectieve criterium ‘volwassenheid’ ofwel volmaaktheid, ook binnen de kunst als hoogtepunt en canonieke maatstaf. Kunstwerken die hieraan niet voldeden werden als kinderlijk, primitief, overrijp, in verval of decadent betiteld.            Ook Plinius de Oude in zijn Historia Naturalis (77 na Chr) en Vasari in zijn Le Vite(1560) traden in de voetsporen van Aristoteles. Beide baseerden hun kunsthistorie op het idee dat er sprake zou zijn van een technische vooruitgang naar een steeds perfectere imitatie van de natuur. Vasari achtte het buiten kijf dat de ’hoog’-renaissancistische werken van Leonardo, Michelangelo en Rafael het absolute toppunt van de kunst vertegenwoordigden. Toch had men al tijdens de Oudheid kanttekeningen geplaatst bij die evolutionistische kijk. De Romeinse redenaar Cicero bijvoorbeeld onderkende het gevaar van gepolijste gratie en briljantie: hoemeer de kunst de zintuigen vleide, des te eerder die weerzin wekte. Vooruitgang in artistieke bekwaamheid riep evengoed weer een verlangen naar eenvoud en oprechtheid op. Cicero was dus niet alleen een vroege advocaat van het primitieve maar ook van een relativistische visie op de kunstgeschiedenis: latere kunst is niet beter dan de eerdere, het is slechts anders.

Ook Paul Klee(1879-1940) die in Zwitserland was geboren maar net als zijn vader de Duitse nationaliteit bezat, worstelde met de klassieke canon. Zo blijkt uit zijn Italiänisches Tagebuch: zijn studiereisverslag van zijn Grand Tour door Italië, van oktober 1901 tot mei 1902. Toen hij in het Lateraans Paleis in Rome vroegchristelijke werken had gezien schreef hij: ’Sculpturen in een naieve stijl waarvan de grote schoonheid voortvloeit uit de kracht van de expressie. Het effect van deze werken, die tenslotte allemaal onvolmaakt zijn, kan niet intellectueel worden gerechtvaardigd en toch sta ik voor hen meer open dan voor de meest hooggeprezen meesterwerken.’ Na zijn terugkeer in Bern noteerde hij: ’De gedachte te moeten leven in een eeuw van epigonen is haast onverdraaglijk, in Italië was ik bijna hulpeloos onder de druk van deze gedachte. Nu probeer ik dit alles in de praktijk te negeren en bescheiden te bouwen, als een autodidact.’ Zijn artistieke ontwikkeling verliep echter minder vlot dan hij wenste. De overweldigende hoeveelheid meesterwerken die hij had gezien lag hem nog zo zwaar op de maag dat hij aan creatieve constipatie leed.

Toch baarde hij Inventionen(1903-05): elf fascinerende etsen met mythische figuren die blijkens hun anatomische vervormingen bezig zijn om zich aan hun half klassieke gedaante te ontworstelen. Ook de herontdekking van zijn eigen kindertekeningen wees hem de weg naar een eigen stijl. ’The Child is the father of the man’, zo luidt de beroemde frase uit een gedicht van William Wordsworth. Evenzo was de kleine Paul dus de verwekker van de latere kunstenaar Klee.                                                                                                                   Een van de eerste werken waarin het kind centraal stond was Mädchen mit Puppe(1905): een achterglasschilderij van een roodharige ragebol in een flodderjurk die met haar frontale pose en uitdagende blik de burgerlijke fatsoens- en kunstnormen bespotte. In 1906 trouwde Klee, die ook als violist in orkesten speelde, met de pianiste Lily Stumpf. Het echtpaar vestigde zich in haar woonplaats München, waar zij elkaar hadden ontmoet toen hij er de kunstacademie volgde. Een jaar later werd Felix geboren. Terwijl Lily met concerten en pianolessen in hun levensonderhoud voorzag, ontpopte Klee zich als huisman en zorgvader avant la lettre. Het kon bijna niet anders of hij raakte hierdoor nog meer betrokken op de belevingswereld van het kind. Hij zette Felix al vroeg aan tot tekenen, al merkte hij eens op dat hij zijn zoon niets kon leren, omdat kinderen de basale structuren van de dingen zien. Het was eerder andersom: eerder leerde Felix hem zijn vormen te reduceren.

Nadat hij een aantal jaren in afzondering met verschillende technieken had geëxperimenteerd ontmoette hij in 1911 kunstenaars als Wassily Kandinsky, August Macke en Franz Marc. Samen met Macke en de schilder Louis Moillet maakte hij in april 1914 een twaalfdaagse reis naar Tunesië. Geinspireerd door het mediterrane kleurenbad schilderde het drietal vele aquarellen: vooral geabstraheerde, met intense kleurvlakken opgebouwde stadsgezichten. Klee, tot dan eigenlijk vooral een tekenaar aangezien hij zijn composities door middel van lijnen construeerde, was euforisch: ’De kleur heeft me te pakken. Ik hoef niet meer achter haar aan te jagen. Ze heeft me voor altijd. Ik en de kleur zijn één. Ik ben schilder.’ Een paar maanden later brak de Eerste Wereldoorlog uit en stierf Macke de ‘heldendood’. In 1916 ontving Klee – op dezelfde dag dat hij het bericht kreeg dat ook Franz Marc was gesneuveld- een oproep van het Duitse leger. Al hoefde hij niet de loopgraven in: hij mocht achter het front ondermeer oorlogsvliegtuigen beschilderen. Bovendien behield hij daar de mogelijkheid om een toevlucht in zijn artistieke werk te blijven zoeken.

Als reactie op de algehele devaluatie van het individu emigreerde hij naar zijn eigen innerlijk, de fantasie en de abstractie. Zo schilderde hij ondermeer feeëriek-weemoedige landschappen die een stil verweer lijken tegen het kanonnengebulder. Bovendien mobiliseerde hij een bonte stoet van circusartiesten, excorcistische maskers, fabeldieren en kinderen: als een optocht tegen de zogenaamde volwassenheid en de technologische vooruitgang die in een slachtpartij waren ontaard. Hoewel Klee die werkelijkheid buiten beeld liet, slaagde hij er op onnavolgbare wijze in om die toch als een complementair contrast op te roepen, zelfs bij zijn meest fantastische werk. Zijn naieve huisjes wekken weliswaar de suggestie van zorgeloze geborgenheid maar doen je tegelijk beseffen dat die niet in overeenstemming is met het aardse bestaan.  Critici die Klee als infantiel afdeden hadden het dan ook niet helemaal begrepen. Hoe primitief zijn expressie oppervlakkig beschouwd ook lijkt, zijn meesterschap school juist in een synthese van kinderlijke spontaniteit en weloverwogen artistieke vaardigheid. In de 19e eeuw had Baudelaire al betoogd dat de kunstenaar van het kind verschilde door ’een door de wil hervonden kinderlijkheid’. Ook maande hij: ‘Bevrijd je van je kunde, van alles wat je hebt geleerd’. Die woorden resoneerden door de kunst van de hele twintigste eeuw. ‘Als kind tekende ik als Rafael, sindsdien heb ik altijd als een kind proberen te tekenen’, zei Picasso. Let wel: hij gebruikte het woord proberen, want als je academisch bent geschoold is zoiets een krachttoer. Niets is moeilijker dan de overtuigende simulatie van onhandige oprechtheid en eenvoud. In zijn dagboek schreef Klee: ’Als mijn werk een primitieve indruk maakt dan valt dit te verklaren door mijn discipline die bestaat uit reductie tot een paar stappen. Het is niet meer dan economie, het ultieme professionele bewustzijn: kortom het tegendeel van werkelijke primitiviteit.’

Nog tijdens de oorlog genoot Klee voor het eerst succes op de kunstmarkt. De echte doorbraak kwam in 1920 met een groot retrospectief in München, in de galerie van Hans Goltz, een kunsthandelaar die de weg plaveide voor vele andere moderne kunstenaars. Bovendien werd Klee benoemd aan het Bauhaus in Weimar. In 1926 verhuisde deze toonaangevende academie voor kunstenaars, ambachtslieden en architecten naar Dessau waar Klee naast collegaleraar Kandinsky kwam te wonen. Aan het eind van jaren twintig verzuimde hij echter steeds vaker en zelfs onaangekondigd zijn lessen, aangezien hij die niet meer kon combineren met zijn artistieke ambities. Vandaar dat hij tenslotte zou overstappen naar de Düsseldorfse kunstacademie, die hem gunstiger arbeidsvoorwaarden bood. Eerst ondernam hij in 1928 nog een reis naar Egypte, die– in de vorm van hiëroglyfische symbolen en piramidale structuren–sporen in zijn werk zou nalaten.             Twee dagen na Hitlers machtsovername in 1933 werd Klee door de nazi-pers belasterd als ’typische Galicische Jood’, hoewel hij noch het een noch het ander was. Zijn kunst werd gebrandmerkt als ’gedegenereerd’, ‘subversief’ en ‘krankzinnig’. In maart doorzocht de SA zijn huis en een maand later werd hij door de academie met verlof gestuurd. Blijkbaar waren de nazi’s toch bang voor dit krankzinnige kind.

Von der Liste Gestrichen (van de lijst geschrapt), zo luidt de veelzeggende titel van een donker zelfportret dat Klee met een grote vetgeschilderde X afkruiste. In de aquarel Kopf eines Märtyres, vult een bleek martelaarsgezicht met neergeslagen ogen en geruineerd gebit het hele frame. Eveneens maskerachtig is de krijttekening Geheim Richter, ook uit 1933. Vanuit een monochroom zwart vlak staren twee brandende rode ogen ons aan. De titel verwijst onmiskenbaar naar sinistere macht die ziet en veroordeelt zonder zelf gezien en gecontroleerd te worden. Hetzelfde jaar nog kreeg hij zijn definitieve ontslag en emigreerde hij naar zijn geboortestad Bern.

Klee zou weinig bespaard blijven. Tot overmaat van ramp werd hij in 1935 gediagnosticeerd met progressieve sclerodermie, een ongeneeslijke reumatische ziekte die zich kenmerkt door een verharding van de huid en de inwendige organen. Naarmate zijn leven verder ontwricht raakte, werd zijn werk donkerder en maakten zijn seismografische lijnen plaats voor grovere pictogramachtige vormen met dikke zwarte contouren. Tegelijk bleef hij een verbazingwekkende hoeveelheid technieken gebruiken: olieverf, aquarel, krijt, houtskool, pastel, pleister, kleurpotloden, gips, tempera, posterverf, kleurpasta etcetera, die hij toepaste op verschillende ondergronden zoals ondermeer gaas, jute, karton, krantenpapier en triplex. Ondanks zijn fysieke toestand bleef hij onvoorstelbaar produktief, uiteindelijk zou hij een oeuvre van zo’n 10.000 werken nalaten. Uitingen van angst en verdriet werden afgewisseld met humor en lichtvoetig plezier.

De pijlen in Ludus Martis (spel van de oorlogsgod Mars) wijzen al in 1938 in de richting van een nieuwe oorlog. In Flammender Bote(1939) is de brandende boodschapper zelf de boodschap. Desondanks bezwoor Klee de dreiging door de wereld zoveel mogelijk als theater te blijven beschouwen. Wat kon hij ook anders? Daarbij schuwde hij de zelfspot niet: ook Clown im Bett(1937), is wellicht een verkapt zelfportret.

Tegenover deze liggende figuur staan talloze andere die blaken van oerenergie: als personificaties van ontembare natuurkrachten. En ook de kinderen zijn niet onschuldig, ook zij spelen krijgspelletjes, ook op de speelplaats is het bittere ernst. Zodoende bewezen Klee’s dansers, kinderen en monsters keer op keer zijn innerlijke levendigheid. Zijn ziekte staat bekend als de aandoening ’die mensen verandert in steen’ maar het speelse kind in hem beschermde hem tegen het allerergste: de verstening van zijn geest. Tot hij op 29 juni 1940 stierf, in de wetenschap dat het eind van Hitlers heerschappij en expansie nog lang niet in zicht was. Bovendien was ook zijn laatste wens om het burgerrecht van de stad Bern te verkrijgen nog niet in vervulling gegaan.

De slaapwandelaar, Jan Nieuwenhuys 1949

Na de Tweede Wereldoorlog bliezen Art Brut- en Cobrakunstenaars de artistieke belangstelling voor het primitieve, het kinderlijke en onbewuste nieuw leven in. Totalitair conformisme en de moderne technologische ’beschaving’ hadden immers de individuele vrijheid vernietigd en naar Auschwitz geleid. Al werd de Holocaust door Cobra zowel als vertrekpunt erkend als buiten beeld gelaten. ‘We wilden opnieuw beginnen als een kind,’ verklaarde Karel Appel later. Paul Klee gold voor de Cobrakunstenaars als de voornaamste wegwijzer naar de creatieve vrijheid. Net als Klee laafde Cobra zich aan de oerbron van de kunst: de directe emotie, de spontane en krachtige expressie van het kind. Wat niet wegnam dat zowel Klee als de Cobra-kunstenaars zich natuurlijk van het verschil tussen hun eigen kunst en die van kinderen bewust waren. Want hoewel hun werk vaak kinderlijk ongeschoold aandoet is die zeker niet ontdaan van bewuste kunstgrepen. Als geen ander konden Paul Klee en de Cobrakunstenaars het weten: zodra je ervoor kiest om kinderlijk te zijn ben je het al niet meer.

Rogier Ormeling (Tableau december 2011/januari 2012)
Klee en Cobra Het begint als Kind 28.01-22.04 2012 Cobra Museum Amstelveen

KINDERTEKENINGEN
Tegelijk met Klee en Cobra toont het Cobramuseum op de begane grond een expositie van bijzondere kindertekeningen uit de collectie van de verzamelaar en voormalige onderwijzer Henk Pijnenburg. Tijdens zijn onderwijzerschap van 1964-1974 aan de lagere Sint Silvester-school in Helmond hanteerde hij een voor die tijd unieke lesmethode. Op pedagogische opleidingen werden opmerkingen van Karel Appel als ’Ik rotzooi maar wat aan’ zo letterlijk genomen dat men er de vrije expressie predikte waarbij kinderen volledig aan zichzelf werden overgelaten. ’ Meneer u moet niks doen, u moet de kinderen materiaal geven en buiten een sigaretje gaan roken,’ zo kreeg Pijnenburg te horen. Desondanks achtte hij het de taak van de leraar om de leerlingen eerst te inspireren en te leren zelf keuzes te maken. Vrijheid, maar wel in gebondenheid, zo luidde zijn motto. Dus nam hij zijn leerlingen mee naar musea en tentoonstellingen en toonde hen reprodukties van bekende kunstwerken van ondermeer, Van Gogh, Picasso, Hiroshige en Chagall. Niet om die op klassiek schoolse wijze door hen te laten reproduceren, maar om daarmee hun eigen creativiteit te prikkelen. Ook liet hij hen inspiratie halen uit het luisteren naar klassieke muziek (bijv. Moessorgsky’s Schilderijententoonstelling), sprookjes en verhalen.

Met zijn werkwijze wist Pijnenburg zijn klassen zozeer te enthousiasmeren dat zij diverse prijzen wonnen. Toen het Van Abbemuseum een wedstrijd organiseerde in het kijken naar schilderijen behaalde De Silvesterschool de hoofdprijs: met de hele klas naar beeldenpark Middelheim bij Antwerpen. Pijnenburg en zijn leerlingen verwierven landelijke faam toen zij in 1968 door Willem Duys werden uitgenodigd in zijn tv-programma Muziekmozaiek. In 2009 verscheen het boek Leven, Beleven en Ontdekken waarin de mooiste tekeningen uit Pijnenburgs collectie staan.
Rogier Ormeling

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

RAMPZALIGHEID: Felix Schramm

Nooit meer Lissabon. Na de zware aardbeving en daaropvolgende tsunami in 1755 leek men doordrongen van de noodzaak van de moderniteit. Die zou de mensheid niet alleen beschermen tegen de blinde grillen van de natuur, maar zelfs aan alle calamiteiten een einde maken. Uiteindelijk zou de mens van het noodlot en zijn angst zijn verlost, zo beloofde het vooruitgangsgeloof.
Inmiddels zijn we tweëenhalve eeuw verder en Moeder Aarde hoeft nog steeds maar te beven of te blazen en alles ligt weer aan stukken. Bovendien spelen zich juist in het hart van de moderniteit de grootste, al of niet door mensen veroorzaakte, catastrofes af.
Zelfs in Zeeland, achter de dijken en dammen van de Deltawerken. Zelfs aan de Markt in Middelburg, in De Vleeshal. De argeloze bezoeker is amper het hedendaagse kunstcentrum binnengestapt of hij voelt zich ramptoerist. Brokstukken van wat ooit misschien een geprefabriceerd vakantiecomplex was, lijken naar binnen te zijn gecrasht. De inslag is zelfs zo diep doorgedrongen dat die achterin de hal een tussenwand heeft gespleten, zodat een gapend gat is ontstaan. Tegelijk zijn de overige witte muren en gewelven van de expositieruimte ongeschonden en ontsluiten ze de gigantische ravage als een vleesetende plant: hebbes.
Het gaat hier dan ook om een speciaal voor De Vleeshal vervaardigde ruimtevullende installatie van de Duitser Felix Schramm. Slechts op een paar punten op de vloer rustend, hangt het zowel als een zware dreiging als een gewichtloos luchtkasteel boven je hoofd. Je kan er verder omheen lopen en ook de open gaten betreden, zodat je middenin het rampgebied staat. Gescheurde gipsplaten hangen schots en scheef en haaks op elkaar. Hier en daar zie je het houten staketsel waaraan alles is bevestigd. Vanuit het ene standpunt verwacht je niet dat de installatie vanuit het andere zó volkomen anders is. Chaos is in essentie onbeschrijfelijk. Net als de waarheid.

Toch werd het kunstwerk tot in details op de tekentafel ontworpen, terwijl alle bouwmaterialen aan de hand van een boodschappenlijstje nieuw werden ingekocht. Geholpen door medewerkers was Schramm drie weken bezig om het monumentale gevaarte te creëeren. Zodoende spot het dus op verschillende manieren met de modernistische maakbaarheidsgedachte. Maakbaarheid betekent immers ook dat hedendaagse rampen door de mens zelf zijn gemaakt oftewel veroorzaakt. Daarom lijkt ook niet zozeer sprake van een natuurramp die van buitenaf De Vleeshal heeft getroffen, maar eerder van een implosie binnenin de cultuur. Het culturele bouwwerk dat de mens tegenover de natuur stelt, blijft immers in de kern chaotisch, al was het maar omdat het uit die chaos voortkomt en daar altijd weer in dreigt op te lossen.
Dezelfde structuren die ons moeten beschermen keren zich evengoed tegen ons. Vandaar ook de paradoxale titel die Schramm zijn installatie meegaf, Savage Salvage, wat vrij vertaald zoiets als woeste berging betekent. Beide begrippen verschillen slechts één letter, wat ook hun figuurlijke inwisselbaarheid aangeeft. Met zijn ‘an-architecturale’ constructie roept Schramm niet alleen het onheil op maar doet hij ook een ironische poging dit te bezweren. Zo heeft hij de gescheurde gipsplaten opgeleukt met grafitti en turquoise, roze en gele kleurvlakken. Doordat hij de gewelddadige oerkrachten een esthetisch masker heeft opgezet, zie je nog scherper dat ze ontembaar zijn.
Met Savage Salvage neemt artistiek directeur Rutger Wolfson na acht jaar afscheid van De Vleeshal, om zich fulltime te wijden aan het directeurschap van het Internationale Filmfestival Rotterdam. In 2003 deed Wolfson binnen de kunstwereld nogal wat stof opwaaien met de essaybundel Kunst in Crisis. Aangezien het onderscheid tussen hogere en lagere cultuur vervaagde was de kunst in een crisis geraakt, zo betoogde Wolfson. Het werd uitgelegd als een aanval op de kunst en hem niet in dank afgenomen. Met Savage Salvage lijkt Wolfson zichzelf een antwoord te hebben gegeven op de vraag hoe de kunst de veronderstelde crisis kan overleven. Juist de ramp of de crisis is de scheppende bron van de kunst.
Rampzaligheid, heet dat. In Zeeland weten ze daar alles van. Na de Watersnood van 1953 was er door de hulp zoveel geld binnengekomen dat veel slachtoffers financieel beter af waren dan voor de ramp. De provincie maakte een bloeiperiode door. Vandaar het Zeeuwse grapje: ‘Heere, geef ons dagelijks ons brood en elke vijf jaar een watersnood.’

R O  (Dit artikel verscheen in augustus 2008 in het Financieel Dagblad)

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen