RAMPZALIGHEID: Felix Schramm

56

Nooit meer Lissabon. Na de zware aardbeving en daaropvolgende tsunami in 1755 leek men doordrongen van de noodzaak van de moderniteit. Die zou de mensheid niet alleen beschermen tegen de blinde grillen van de natuur, maar zelfs aan alle calamiteiten een einde maken. Uiteindelijk zou de mens van het noodlot en zijn angst zijn verlost, zo beloofde het vooruitgangsgeloof.
Inmiddels zijn we tweëenhalve eeuw verder en Moeder Aarde hoeft nog steeds maar te beven of te blazen en alles ligt weer aan stukken. Bovendien spelen zich juist in het hart van de moderniteit de grootste, al of niet door mensen veroorzaakte, catastrofes af.
Zelfs in Zeeland, achter de dijken en dammen van de Deltawerken. Zelfs aan de Markt in Middelburg, in De Vleeshal. De argeloze bezoeker is amper het hedendaagse kunstcentrum binnengestapt of hij voelt zich ramptoerist. Brokstukken van wat ooit misschien een geprefabriceerd vakantiecomplex was, lijken naar binnen te zijn gecrasht. De inslag is zelfs zo diep doorgedrongen dat die achterin de hal een tussenwand heeft gespleten, zodat een gapend gat is ontstaan. Tegelijk zijn de overige witte muren en gewelven van de expositieruimte ongeschonden en ontsluiten ze de gigantische ravage als een vleesetende plant: hebbes.
Het gaat hier dan ook om een speciaal voor De Vleeshal vervaardigde ruimtevullende installatie van de Duitser Felix Schramm. Slechts op een paar punten op de vloer rustend, hangt het zowel als een zware dreiging als een gewichtloos luchtkasteel boven je hoofd. Je kan er verder omheen lopen en ook de open gaten betreden, zodat je middenin het rampgebied staat. Gescheurde gipsplaten hangen schots en scheef en haaks op elkaar. Hier en daar zie je het houten staketsel waaraan alles is bevestigd. Vanuit het ene standpunt verwacht je niet dat de installatie vanuit het andere zó volkomen anders is. Chaos is in essentie onbeschrijfelijk. Net als de waarheid.

Toch werd het kunstwerk tot in details op de tekentafel ontworpen, terwijl alle bouwmaterialen aan de hand van een boodschappenlijstje nieuw werden ingekocht. Geholpen door medewerkers was Schramm drie weken bezig om het monumentale gevaarte te creëeren. Zodoende spot het dus op verschillende manieren met de modernistische maakbaarheidsgedachte. Maakbaarheid betekent immers ook dat hedendaagse rampen door de mens zelf zijn gemaakt oftewel veroorzaakt. Daarom lijkt ook niet zozeer sprake van een natuurramp die van buitenaf De Vleeshal heeft getroffen, maar eerder van een implosie binnenin de cultuur. Het culturele bouwwerk dat de mens tegenover de natuur stelt, blijft immers in de kern chaotisch, al was het maar omdat het uit die chaos voortkomt en daar altijd weer in dreigt op te lossen.

58

Dezelfde structuren die ons moeten beschermen keren zich evengoed tegen ons. Vandaar ook de paradoxale titel die Schramm zijn installatie meegaf, Savage Salvage, wat vrij vertaald zoiets als woeste berging betekent. Beide begrippen verschillen slechts één letter, wat ook hun figuurlijke inwisselbaarheid aangeeft. Met zijn ‘an-architecturale’ constructie roept Schramm niet alleen het onheil op maar doet hij ook een ironische poging dit te bezweren. Zo heeft hij de gescheurde gipsplaten opgeleukt met grafitti en turquoise, roze en gele kleurvlakken. Doordat hij de gewelddadige oerkrachten een esthetisch masker heeft opgezet, zie je nog scherper dat ze ontembaar zijn.
Met Savage Salvage neemt artistiek directeur Rutger Wolfson na acht jaar afscheid van De Vleeshal, om zich fulltime te wijden aan het directeurschap van het Internationale Filmfestival Rotterdam. In 2003 deed Wolfson binnen de kunstwereld nogal wat stof opwaaien met de essaybundel Kunst in Crisis. Aangezien het onderscheid tussen hogere en lagere cultuur vervaagde was de kunst in een crisis geraakt, zo betoogde Wolfson. Het werd uitgelegd als een aanval op de kunst en hem niet in dank afgenomen. Met Savage Salvage lijkt Wolfson zichzelf een antwoord te hebben gegeven op de vraag hoe de kunst de veronderstelde crisis kan overleven. Juist de ramp of de crisis is de scheppende bron van de kunst.
Rampzaligheid, heet dat. In Zeeland weten ze daar alles van. Na de Watersnood van 1953 was er door de hulp zoveel geld binnengekomen dat veel slachtoffers financieel beter af waren dan voor de ramp. De provincie maakte een bloeiperiode door. Vandaar het Zeeuwse grapje: ‘Heere, geef ons dagelijks ons brood en elke vijf jaar een watersnood.’

R O  (Dit artikel verscheen in augustus 2008 in het Financieel Dagblad)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s