Manu Baeyens solo + Uche Okpa-Iroha + Zeno van den Broek: Tuimeling in het Suikergras galerie Sanaa openingspeech

Beste mensen. Manu, Uche, Zeno
Laat ik eerst iets zeggen over de beide galeriehouders, Berthe Schoonman en Arjen Vredenberg. Berthe was jarenlang actief in de ontwikkelingssamenwerking, ondermeer als projectleider Sub-Sahara Afrika terwijl Arjen van huis uit fysicus is en momenteel onderwijsdirecteur natuur/sterrenkunde aan de universiteit van Utrecht. En zoals we al enkele jaren hebben kunnen constateren is hun samenwerking bijzonder vruchtbaar gebleken, aangezien die heeft geleid tot een uniek podium waarop jonge en gevestigde kunstenaars uit Nederland en Afrika een dialoog aangaan. Zonder meer een hele verfrissende aanwinst voor de stad Utrecht.

Wat me dadelijk beviel hier was de vloerbedekking, die mij sterk deed denken aan de dansvloeren die Degas schilderde in zijn ballet-serie. En als je een vloer hebt, ook al is die dan van laminaat, die maar enigszins aan een dansvloer van Degas doet denken… dan heb je de geschikte ondergrond om Nederlandse en Afrikaanse kunst met elkaar te laten dansen. Of sterker nog om die gezamenlijk te laten tuimelen in suikergras.                        Dat ik ondanks andere werkzaamheden heb toegezegd om deze tentoonstelling te openen heeft ook iets te maken met het feit dat Manu Baeyens is geboren in Gent. Toevallig heb ik namelijk iets met België en vooral met Gent. Dat begon al heel vroeg toen mijn moeder mij vertelde dat de daken daar niet met dakpannen bedekt waren maar met pannekoeken. Bovendien maakte ik een paar jaar geleden voor Hollanddoc, een radiodocumentaire over de Vlaamse kunstpaus Jan Hoet die ik meermalen bezocht in zijn huis in Gent. Zo heb ik samen met Jan, de heerlijkste pannekoeken ter wereld gegeten, vlakbij de Sint Baafskathedraal, waar Jan van Eycks beroemde altaarstuk Het Lam Gods hangt.                  Ondanks die heerlijke Belgische pannekoeken of misschien wel juist vanwege die pannekoeken is Manu Baeyens uit zijn geboorteland geëmigreerd naar Nederland. Waardoor hij in de voetsporen trad van andere Vlamingen die toen de Spanjaarden in 1585 de stad Antwerpen innamen naar het noorden zijn gevlucht. Daaronder bevond zich ondermeer een driejarig asielkind dat later in de schilderkunst een ongekend vrije kwastvoering zou introduceren. En dan hebben we het natuurlijk over de meester van de losse toets en de nonchalante snapshot: Frans Hals. Maar laten we ook Roelant Saverij niet vergeten, die tenslotte hier in Utrecht neerstreek. Ondermeer bekend vanwege zijn fraaie antropomorfe dierschilderijen.

Nu ben ik geen kunsthistoricus maar u begrijpt welke baanbrekende kunsthistorische stelling ik hier ga poneren: de losse toets van Frans Hals en de dieren van Saverij wierpen hun schaduw reeds vooruit naar de komst van Manu Baeyens.                                              Die trok uiteindelijk zo ver mogelijk weg van België, namelijk naar het dorp Eenrum in de provincie Groningen. Hoewel ik in Groningen geboren ben kan ik mij niet herinneren ooit in Eenrum te zijn geweest, wel in de buurt, toen ik vanuit Pieterburen ging wadlopen. Volgens Wikipedia is Eenrum een pittoresk dorpje met een beschermd stadsgezicht. Bezienswaardigheden zijn ondermeer het Mosterdmuseum, de Korenmolen genaamd De Lelie en de laatste klompenmakerij van de provincie Groningen, bekend van de zogenaamde tripjes of tripklompen. Voor zover ik weet heeft Manu tot dusverre nog geen van deze bezienswaardigheden in zijn oeuvre verwerkt. Maar het zou mij niets verbazen wanneer hij wel degelijk inspiratie vind in het Eenrumerbos. Niet alleen leven daar vossen en reeën maar er zijn ook ijsvogels gesignaleerd en zelfs huilende takken. Ik zou zeggen gaat u daar eens wandelen.

U kan terecht in Hotel, de Kromme Raake, dat ook wel bekend staat als het kleinste hotel ter wereld. En wie wil daar niet overnachten? Het beschikt namelijk maar over één bedstee zodat u het helemaal voor uzelf heeft en niet gestoord wordt door andere gasten of schoonmaaksters.

Toen Picasso in 1907 in Parijs het volkenkundig museum Trocadero bezocht en daar Afrikaanse maskers zag was dat voor hem een grote openbaring. Plotseling begreep hij de diepere betekenis van de schilderkunst. ’Het is geen esthetisch proces, het is een vorm van magie die wij tussen het vijandige universum en onszelf plaatsen, een manier om macht te verwerven door vorm te geven aan onze angsten en verlangens,’ zo zou hij het later verwoorden. Dezelfde maand nog begon hij aan Les Desmoiselles D’Avignon, waarop twee vrouwen met Afrikaanse maskergezichten staan. Een schilderij dat terecht beschouwd wordt als een grondleggend werk van de 20e eeuwse schilderkunst. Die begon dus eigenlijk in Afrika. Wat goed beschouwd vrij logisch is aangezien oorspronkelijkheid alleen is weggelegd voor wie erfgenaam wil zijn. Anders gezegd: als je met je auto snel vooruit wil dan moet je wel in je achteruitkijkspiegel kijken voordat je gaat inhalen. Picasso begreep dat, zoals hij ook snapte dat een kunstenaar niet voor zijn demonen moet wegvluchten maar hen juist ten dans moet vragen zodat ze wat vriendelijker gestemd raken en hij hen zelfs voor zijn artistieke karretje kan spannen. Een recenter voorbeeld van demonenbezwering dat licht op deze expo werpt vinden we terug in de film Scarecrow.

Een roadmovie uit 1973 waarin Gene Hackmann en Al Pacino twee aan lager wal geraakte personages spelen die een tijd samen optrekken: Max en Lionel. Max is een karakter met een kort lontje die er nogal snel bovenop slaat, terwijl Lionel, (Al Pacino) conflicten juist door middel van humor oplost . Max is echter nogal hardleers zodat Lionel een poging onderneemt om het uit te leggen: ’Hey Max you don’t have to hit people, you’d better make them laugh. Do you know the story of the scarecrow? Do you think that crows are scared of the scarecrow? Yes? No crows are not scared, crows are laughing… Look the farmer puts out a scarecrow huh with a funny hat and a funny face, crows think it’s funny: it makes them laugh.. And then they say this farmer Joe down there he is a pretty good guy he made us laugh so we won’t bother him any more…

In feite houdt Manu er eenzelfde soort strategie op na als Lionel. Al gaat hij nog slimmer te werk: inplaats van een vogelverschrikker zet hij vogels in. Wat niet zo verwonderlijk is wanneer je beseft dat zijn naam in het Maori vogel betekent. Toch beperkt hij zich bij lange na niet tot vogels.

Integendeel, zo treffen we bij hem een hele menagerie aan waarin zelfs de meest exotische fabeldieren een rol spelen. Vaak zijn die zo ontwapenend en humoristisch dat de demonen hun kwaadaardige bedoelingen vergeten. Dat Manu zich samen met de dieren probeert te redden lijkt overigens ook nog een diepere oorzaak te hebben. In de Indiase Veda’s namelijk, die dus ouder zijn dan de Bijbel, is al sprake van een zondvloedverhaal met een voorloper van Noach die Manu heet. Ik wil maar zeggen; met zo’n naam ben je als het ware in de wieg gelegd om voor de zondvloed te vluchten en dus steeds weer terug te gaan naar de basis en de essentie en als een wervelwind met de materie te jongleren. Met verf, plankjes, punaises, kralen, nietjes, belletjes, dekens enzovoort. Poëzie komt van het Griekse poesis dat maken betekent, iets doen met je handen. Ook daarvoor lijkt Manu voorbestemd, immers zijn naam betekent ook hand in het Latijn. En verdomd ook aan de Latijnse cultuur betoont hij zich steeds weer schatplichtig, getuige zijn aan Arte Povera herinnerende werkwijze en eenvoudige materialen en zijn commedia dell’arte achtige personages. Kortom Manu’s werk is een jongleeract met vele gekleurde ballen dwz vele invloeden en materialen. Wat zijn oeuvre bovendien zo sympathiek maakt is zijn niet aflatende zoektocht naar de onschuld, of het nou in het kind in hemzelf is, of in de dieren, of in zijn Afrikaanse scènes.

Naarmate zijn dieren echter menselijker worden lijken zij ook ambivalenter: sommige van zijn vogels kunnen behoorlijk nerveus en irritant zijn, je moet er geen ruzie mee krijgen. Maar het sterkst springt die ambivalente naar voren in zijn frontale maskers en maskergezichten.

En daarmee treft hij een essentiële waarheid over de mens want alle maskers zeggen: de mens is een raadsel, de meester van de metamorfose, het ambivalente en onvoorspelbare dier bij uitstek, met de grootste hoeveelheid gezichten de ruimste garderobe en de meeste rekwisieten. Wie we zijn hangt af van de omstandigheden: alle menselijke gezichten zijn tijdelijk en inwisselbaar, dat zegt het masker oftewel het statische gezicht van de eeuwig veranderende natuur. Juist in ons vermogen tot gedaantewisseling schuilt onze kracht maar ook onze zwakte, onze creativiteit maar ook onze destructiviteit.                                      Uiteindelijk heeft dit alles geleid tot deze expositie die veel weg heeft van het feestelijke ritueel van een aardecultus. Inclusief bezweringen van existentiële oerangsten en dankoffers aan de natuur.

Neem bijv het patchworkkleed dat hier bedekt is met hoopjes mais, zonnebloempitten, planten en vooral de Groningse aardappelen. Manu heeft inderdaad alle reden om het Gruninger land dankbaar te zijn: het is zo vlak dat het hem in staat stelt om heel ver te kijken, zo ver dat hij aan de horizon Afrika ziet liggen, daar waar ooit de eerste mens ontstond. Dat hij nooit in Afrika is geweest doet er hier niet toe. Picasso was ook nooit in Afrika. Henri Rousseau schilderde de meest fantastische jungles zonder er ooit te hebben rondgelopen. Franz Kafka schreef een roman over Amerika zonder daar voet aan wal te hebben gezet. Toch heb ik het sterke vermoeden dat Baeyens ooit wel degelijk in Afrika gaat rondkijken. En dat zijn verblijf in Eenrum dus ook een soort, reculer pour le mieux sauter is zoals de fransen zeggen: een achteruitloop om nog verder te springen.

Finally a word about the other artist who is taking part in this exhibition: Uche Okpa Iroha, who happens to be born in Nigeria in the same year as Manu, 1972. Which by the way is of course not the reason why he was invited. Uche is a photographer, who won several award prizes and is currently artist in residence at the Amsterdam Rijksacademie. Uche’s main topic subject is citylife. Here he shows five largeformat photos, which get along nicely with Manu’s work, partly due to the fact that Uche paints his photos by means of photoshop. In that way he blurs the distinction between photography and painting, between documentary and art.


His liquid colorwaves evoke not only the liquidity of city life, but also make the tropical heat more visible, sometimes they are so vivid and rhythmic that you can almost hear them as if they evoke the sounds of the city. Two of these photos are an example of a paradoxical strategy that Uche seems to practice also elsewhere and which we could describe as ’detached engagement’, because he puts people at a distance but only in order to get closer to them, as distancing yourself from your subject is often a way of getting closer. By turning these people into silhouettes they get an existential aura, not in the least because again his colourwaves gives them an emotional temperature. Thus you could say that Uche objectifies and personalizes these people at the same time.

This one is taken from a bird perspective, and with a bit of imagination it could be regarded as an eyewink to Manu, because as I told you before the name Manu means bird in Maori.

This photo is from a series that Uche made of reclining figures taking a nap out on the street which is often the case in Africa. It is difficult to tell which part of the photo is manipulation and which part is not. It looks as if the man is in a pretty precarious situation because he is trying to get some rest while an overwhelming demonlike figure hovers above him. But maybe this is only his nightmare, or maybe this is only his protecting demon, his guardian. Only Uche knows, but I hope he will never tell anybody what is actually going on here.
Nice work Uche, I am looking forward to see more of it in the future: perhaps a series of Dutch city life?
En hiermee ben ik aan het eind gekomen van mijn verhaal. Aangezien al deze knallende tropische kleuren zo langzamerhand steeds harder schreeuwen om muziek geef ik nu het woord aan geluidskunstenaar Zeno van den Broek die ter begeleiding van de werken een sound-art installatie maakte.

Rogier Ormeling

TUMBLE IN SUGARGRASS

Manu Baeyens Solo+

  t/m za 7 juli

Manu Baeyens (Belgie / Nederland) schilderijen en objecten
Uche Okpa-Iroha (Nigeria) fotografie
Zeno van den Broek(Nederland) geluidskunst

Galerie Sanaa | Kunst van hedendaagse Afrikaanse en

www.galeriesanaa.nl/
Advertisements
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s