Moderne Holbewoners: A.R.Penck

Op de tentoonstelling ‘De collectie Duitse kunst van Kiefer tot Henning’ tot 30 september in Museum Boijmans van Beuningen hangt ook een werk van A. R. Penck dat hij in 1972 schilderde toen hij nog in de DDR woonde: Roter Mann.                                                           Rood, de symbolische kleur van de nieuwe dageraad van het socialisme. Terwijl de hoofdrol in de propagandistische sociaal-realistische kunst was weggelegd voor arbeiders en boeren die met hun handen onvermoeibaar optimistisch aan de heilstaat bouwden, is deze rode man gereduceerd tot een lullige karikatuur. Onbeholpen heft hij zijn disproportioneel grote handen ten hemel. Alsof hij tegen de kijker zegt: hoe moet ik met zulke kolenschoppen nou de hemel op aarde brengen?                                                                                                     Penck nam echter niet alleen de socialistische heilstaat op de korrel maar evengoed de westerse moderniteit. Met zijn sympathieke primitieve stijl-en wie houdt er nou niet van Penck?- liet hij zien dat elke moderne civilisatie evengoed primitief is. Primitiviteit is slechts een mythe geschapen door potten die zich als modern profileerden door ketels af te schilderen als primitief. Natuurlijk: vele ’primitieve’ stammen hebben zichzelf aangeduid met een term  die ‘de mensen’ betekent, hetgeen inhield dat andere stammen dus niet-menselijk waren. Maar de zogenaamde ’modernen’ waren nog veel moordzuchtiger,  zij gebruikten de meest geavanceerde bureaucratieën en technologieën om talloze miljoenen medemensen van hun menselijke waardigheid te beroven en over de kling te jagen. Vandaar dat Claude Levi Strauss in 1951 tijdens een Unesco-lezing stelde : ‘De barbaar is in de eerste plaats de mens die in de barbaarsheid  gelooft.’                                Dat geloof is nog springlevend en wijdverbreid, zie Breivik en de grote hoeveelheden wapens en propagandamateriaal die gisteren tijdens een gecoördineerde politie-actie in 32 steden in Noordrijn-Westfalen bij neonazistische Kameradschaften in beslag werden genomen. Of neem de Nederlandse internetfora die overspoeld worden  door de giftigste scheldpartijen vol vreemdelingenhaat enz.

Juist in de anti-utopische aardsheid van Pencks werk schuilt zijn zeggingskracht. Ook na de de val van de Muur. Want wie het aardse, lokale en nationale veronachtzaamt ten faveure van de hyperglobalistische vergezichten van een onbeteugelde markt die zaait uiteindelijk vooral rancune en een sinister soort nationalisme.

Ter gelegenheid van Pencks tot dusver laatste grootste overzichtstentoonstelling in 2007 in de Frankfurter Schirnhalle, schreef ik een recensie in het Financieel Dagblad.

Winkler oder Penck?

MODERNE HOLBEWONERS 

Ralf Winkler was zes jaar toen hij in 1945, als gevolg van het gruwelijke bombardement door geallieerde vliegtuigen, zijn geboortestad Dresden in vlammen zag opgaan. Nog vele jaren zouden de puinhopen het straatbeeld bepalen. De naargeestige sfeer werd er door de Koude Oorlog niet beter op. Temeer daar de DDR, de nieuwe socialistische heilstaat, haar burgers op verstikkende wijze in het gareel hield. Alleen de beeldende kunst en de jazz op radio AFN(American Armed Forces Network) boden Winkler een mogelijkheid tot ontsnapping. Tot een kunstacademie werd hij echter nooit toegelaten, al volgde hij wel avondlessen tekenen en schilderen. En aangezien hij aanvankelijk ook weigerde om lid te worden van de Oost-Duitse kunstenaarsbond zat er niets anders op dan zijn geld te verdienen als nachtwaker in een margarinefabriek. Al in de vijftiger jaren maakte Winkler deel uit van een groepje jonge Dresdense kunstenaars dat weinig op had met het ‘socialistische realisme’, de door de staat gepropageerde kunststijl die de socialistische werkelijkheid echter helemaal niet mocht uitbeelden maar juist diende te verbloemen en idealiseren.

Een groot retrospektief in Frankfurt laat zien dat Winkler als geen ander de strijd tussen de economische systemen tot uitgangspunt van zijn werk maakte. Zo inspireerde de bouw van de Berlijnse muur in 1961 hem tot de eerste van zijn serie Weltbilder-schilderijen. Op een aardbol, met daarbinnen een roodgloeiende magmahaard, staan een twintigtal tot luciferstokfiguurtjes geabstraheerde silhouetten agressief tegenover elkaar, gewapend met schreeuwerige borden met mathematische formules als A = A, getrokken zwaard, pistool,  radarinstallaties en raketten. Winklers Weltbilder gaan echter niet zozeer over de strijd tussen kapitalisme en communisme –dat waren slechts tijdelijke vlaggen waaronder mensen elkaar bevochten–maar over de onveranderlijk conflictueuze essentie van de geschiedenis. Mensen blijven immers ook wilden, ondanks de voortschrijdende technologie. In weerwil van wat de moderniteit ooit verklaarde is het primitieve niet iets wat achter ons ligt. Winkler–die als pseudoniem de naam koos van de ijstijdgeoloog Penck –laat zijn mannetjes voortdurend pendelen tussen het primitieve en moderne, zodat deze amper van elkaar zijn te onderscheiden. Zijn beeldtaal verwijst evengoed naar prehistorische grotschilderingen als naar de pictogrammen van de moderne bewegwijzering.

Aangezien Pencks moderne holbewoners het midden houden tussen mens, dier en machine, roepen zij ook steeds de vraag op in hoeverre mensen –ongeacht het politieke systeem waarin zij leven—over vrijheid beschikken. Eerder lijken zij overgeleverd aan de natuur en het labyrinthische web van cultuurtekens dat zij zelf hebben gesponnen. Wat niet wegneemt dat Pencks beeldvlak doorgaans gonst van razende activiteit. In een turbulente draaikolk vecht  alles om de beperkt beschikbare ruimte: lucifermannetjes, dieren, hybride wezens, geometrische vormen en wiskundige symbolen, cijfers en ornamenten. Penck kalkt het allemaal neer met dikke geladen kwaststreken die impulsief aan zijn hand lijken te zijn ontsnapt.

Hoe serieus Pencks beelden ook zijn, tegelijk vormden zij een groteske bespotting van het socialistische realisme. Dat werd hem door de staat niet in dank afgenomen. Die legde hem een expositieverbod op en viel hem steeds vaker lastig omdat zijn werk naar het Westen werd gesmokkeld en hij daar wel werd tentoongesteld en erkenning kreeg. Toen hij door zijn samenwerking met de Westduitse schilder  Jörg Immendorf bovendien het vriend-vijand patroon vergaand ondermijnde waren zijn dagen in Oost-Duitsland geteld. In 1980 werd hem gesommeerd om binnen vierentwintig uur het land te verlaten.

Nog hetzelfde jaar maakte hij de twee grote schilderijen: Osten en Westen van 2,5 bij  4 meter.  Hoewel het eerste werk wit-op-zwart is en het andere zwart-op-wit, vertonen ze een grote structurele gelijkenis. Beide pendanten bezitten een totemistisch karakter. Bezwerende geabstraheerde figuren zijn omgeven door een wemeling van tekens. ‘Ik ben van de Oosterse naar de Westerse schizofrenie overgestoken,’ schreef Penck.

In het vet geschilderde en imposante Quo Vadis Germania(1984) –Waar ga je heen Duitsland?–zien we ondermeer een menselijke figuur met vogelkop die gehinderd lijkt door een hakenkruisvormige voet, verder een prehistorisch reptiel dat met geopende muil op het punt staat zijn prooi te bespringen, een adelaar en rennende figuren. Hoewel de pijlarm van de vogelkopfiguur als een wegwijzer lijkt te fungeren is van lineaire vooruitgang geen sprake, de figuren bewegen zich in tegengestelde richting zodat er een indruk ontstaat van cyclische beweging. Wie in de Schirnhalle een beetje let op de data van de niet chronologisch opgehangen werken merkt dat na de val van de Berlijnse muur Pencks thematiek zich nog scherper toespitst op de confrontatie tussen het dierlijke en menselijke in de mens. In Theoretiker und Löwe (1995), staan mens en leeuw met geheven wapens en klauwen tegenover elkaar, in Adler und roter Mann(1999) neemt de dominante witte adelaar onder de sterrenhemel zoveel ruimte in dat de rode luciferman genoegen moet nemen met een plek in de marge.

In zowel Begegnung I als II  (beide 1996),  houden de hoofdrolspelers, menselijke figuren waarvan de linker een snavelkop heeft, elkaar al bezwerend in evenwicht. Misschien zijn ze zelfs wel in debat.

R. O (Financieel Dagblad 2007)

Bij wijze van dessert: Mann Bewegung(1998)

Een profetische aankondiging van de komst van de Jamaicaanse sprinter Usain Bolt die onlangs weer Olympisch goud won op 100 en 200m? Met zijn uitpuilend gefocuste oog, ontblote tanden en een hand die veel weg heeft van een opengesperde slangenbek staat deze oeratleet op het punt om uit het beeldvlak te springen. Een geweldig dynamisch beeld van de mens die altijd een rusteloze jager en verzamelaar is gebleven.

BMW Art Car Collection. AR Penck. (1991)  Fred Flinstone’s favouriete wagen.

En tenslotte deze: om een indruk te geven hoe groot een Penck kan zijn. Wie die meneer is? Ken hem niet..maar ik denk meneer Maatstok.

Advertisements
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s