Het ongelooflijke verhaal van Bennie Jolink, Hitler, Saatchi, Gagosian en De Fatale Bruid

Wie gaat het kopen? Wordt het toch weer Charles Saatchi? Of loopt de emir van Quatar, die onlangs minstens 250 miljoen dollar neerlegde voor een versie van De Kaartspelers van Cezanne, ermee weg?  Carlos Slim soms: de rijkste man ter wereld en inmiddels grootaandeelhouder van KPN? Voor zijn Museo Soumaya in Mexico City? Larry Gagosian wellicht? Hoe je het ook wendt of keert hij blijft de machtigste kunsthandelaar ter wereld. Onderschat ook de charmes van Dasha Zhukova niet: zij koopt wel vaker leuke cadeautjes voor haar partner Roman Abramovitsj, de Russische petroleummiljardair en eigenaar van voetbalclub Chelsea. Een goede outsider is Francois Pinault, die heeft nog ruimte genoeg  in zijn Venetiaanse Palazzo Grassi.

Wie belt het eerst naar Hummelo? Voor het eerst is Hitler afgebeeld met een sigaret in zijn mond! Kan kunst nog innovatiever zijn? En niemand minder dan onze eigen Bennie Jolink, zanger van de Achterhoekse rockgroep Normaal heeft het aangedurfd…

Overigens dit, weliswaar van minder belang maar toch: hoe Hitler tegenover roken stond kunt u lezen in De Fatale Bruid, het essay dat ik in 2003 schreef in opdracht van de  Rotterdamse Kunsthal, ter gelegenheid van de tentoonstelling Vier Eeuwen Roken in de Kunst (zie onder). Een iets ingekorte versie van dit essay,  dat vooral handelt over het beeld van de sigaret in de 20e eeuwse kunst, verscheen destijds ook in Vrij Nederland.

Don’t Smoke van Sebastian Gögel

DE FATALE BRUID

Tot op heden hebben biologen nog steeds geen andere kunstzinnige of rokende diersoorten ontdekt. Met andere woorden: kunst en roken zijn beide culturele, dat wil zeggen menselijke activiteiten. Beide veronderstellen een keuze. Beide vormen een mogelijkheid van de menselijke vrijheid, die paradoxaal genoeg bijzonder verslavend is. Men zou de mens kunnen aanduiden als de naakte, rokende aap. En misschien is het wel vooral vanwege zijn naaktheid dat deze aap rookt.

Zoals bekend komt de tabak oorspronkelijk uit Noord- en Zuid-Amerika en werd zij door de Indianen als een godheid vereerd. De oudste bekende voorstelling waarop een roker is afgebeeld is dan ook een uit de vijfde eeuw na Chr. gedateerd fragment van een Maya-tempelreliëf in de befaamde ruïnestad Palenque in Mexico. Met gekromde rug en een wellustige uitdrukking op zijn gezicht, zuigt de weelderig uitgedoste regengod Tlaloc aan een pijp. Althans zo lijkt het, want zeker weten doen we het niet. Het zou ook kunnen dat Tlaloc niet rookt maar slechts rook door een buis blaast. Dat neemt niet weg dat het roken in die tijd een rituele handeling was die deel uitmaakte van de religieuze cultus.
Het roken en de kunst bezitten dus een gemeenschappelijke oorsprong in het
ritueel, hetgeen gedefinieerd kan worden als een poging van de mens om door middel van ritmische herhalingen de veranderlijkheid van de natuur te bezweren en zo verleden, heden en toekomst te laten samenvallen. Het roken en de kunst zijn beide pogingen om het heden te vereeuwigen en contact te leggen met het tijdloze rijk van de goden. Heroïsche en tegelijk vergeefse pogingen om de dood te doden en aldus een ‘conservatieve’ revolte tegen de natuur teweeg te brengen.
Roken is dus van oudsher een bevestiging van de continuïteit tussen verleden en heden. Hetgeen niet betekent dat het roken zich in de conservatieve hoek laat dwingen. Gezien vanuit Europa, waar tot aan de ontdekking van de Nieuwe Wereld niet gerookt werd, is roken namelijk een moderne bezigheid die met avontuur verbonden is. Eigenlijk zou men binnen de geschiedenis van de tabak de naambordjes moeten verwisselen en Amerika de Oude Wereld en Europa de Nieuwe Wereld moeten noemen.


Roken kan dus evengoed een poging zijn om het verleden te conserveren, als om juist radicaal met het verleden te breken. Zo is de Amerikaanse revolutie, de opstand van de kolonisten tegen het moederland, onlosmakelijk met de tabaksverbouw verbonden. De vrijheidsstrijd was immers vooral een strijd tegen belastingheffingen op onder meer tabak, onder leiding van tabaksplanters uit Virginia, zoals George Washington en Thomas Jefferson. Zou hier soms de basis liggen van het idee dat roken synoniem is met revolutie en vrijheid? De Founding Fathers stonden in ieder geval heel wat positiever tegenover het roken van tabak dan hun huidige Amerikaanse nazaten. Over Washington, tevens de eerste president van de Verenigde Staten, gaat zelfs het verhaal dat hij nog andere rookbare gewassen verbouwde. Hij had namelijk een houten kunstgebit en zou de daarmee gepaard gaande pijn met marihuana hebben verzacht. Dat de grote grondlegger van de Amerikaanse staat niet alleen tabaksplanter was maar wellicht ook marihuana gebruikte, past echter niet in de mythe en is iets waaraan huidige Amerikaanse anti-rookactivisten niet graag herinnerd worden. In een tijd waarin een rokende presidentskandidaat geen schijn van kans maakt, is men geheel vergeten dat grote en vrijheidslievende Amerikaanse presidenten uit de geschiedenis zoals George Washington, Woodrow Wilson en Franklin Roosevelt, allen rokers waren.

Roken is vrijheid en slavernij. Maar bestaat er eigenlijk wel vrijheid zonder slavernij? De Amerikanen dankten hun rijkdom en onafhankelijkheid aan de goedkope arbeidskrachten op de tabaksplantages, de zwarte slaven voor wie de door Jefferson in The Declaration of Rights opgesomde vrijheden vooralsnog niet waren weggelegd. Deze ‘zwarte zijde’ van de tabaksverbouw weerhield de architect Benjamin Latrobe er niet van om op de kapitelen van de Senaatsvleugel van het Capitool, de klassieke Griekse acanthusbladeren te vervangen door de bladeren en bloemen van de inheemse tabaksplant. De keuze om de kapitelen van het parlementsgebouw waarin zowel het Huis van Afgevaardigden als de Senaat zijn gehuisvest aldus te versieren, was indertijd zeer gepast aangezien de tabaksplant een belangrijkste basis vormde voor de Amerikaanse economie. Het inherente idee dat tabak een steunpilaar vormt van de Amerikaanse democratie en vrijheid is echter in het begin van de eenentwintigste eeuw voor veel Amerikanen een gruwel. Je vraagt je af wanneer de anti-rookactivisten een lobby beginnen om de kapitelen te retoucheren en de tabaksbladeren te verwijderen.
Was het roken in pre-Columbiaanse samenlevingen vooral een bezwering van vernietigende natuurkrachten en werd het tijdens The War of Independence vooral met vrijheid geassocieerd, in de negentiende eeuw wordt het roken tevens een bezwering van het menselijke antwoord op de natuur, van de ongekende vernietigende kracht waarover de mens inmiddels zelf beschikt. Een bezwering van de industriële revolutie. Van de moderniteit, de chronologische tijd die is stukgeslagen in fracties, tijdseenheden die van elkaar zijn gescheiden en zich bovendien nooit meer herhalen omdat wat geweest is nooit meer terugkomt. Vooral het pijproken kan gezien worden als een poging om de versplinterde tijd weer tot een eeuwig geheel te maken.
Juist omdat de verbranding van tabak rook produceert die geen enkele machine in beweging zet en dus in feite volkomen nutteloos is, wordt roken vanaf
de Romantiek bij uitstek een bezigheid waarmee men zich al of niet bewust teweer stelt tegen het dwangmatige utiliteitsdenken en de manipulatieve visie op de natuur. Rook lijkt synoniem met Geest en roken is daarom een ideale vorm van verzet
tegen het moderne materialistische wereldbeeld. Toch worden de rokende bohemien-kunstenaar en de dandy, ondanks hun haast religieuze verlangen naar het verleden en naar openbaring in plaats van rede, als avant-gardistische typen beschouwd. Paradoxaal genoeg schuilt hun moderniteit namelijk juist in hun kritiek op de moderniteit.


Tegenover de rook van fabriekschoorstenen en stoomtreinen, de rook van de vooruitgang, stelt de romanticus de tabaksrook, de rook van de eeuwigheid. Rook die tevens het symbool is van verinnerlijking, concentratie op de eigen gedachtenwereld. Tegenover de rook van de stoomtrein stelt de pijproker woordeloos lurkend: ‘Zoek het niet elders en in de verte wanneer je het ook hier ter plekke kan vinden door een pijp te stoppen’. En een kaart te leggen, zoals bijvoorbeeld in De Kaartspelers van Paul Cézanne, waarin een tweetal heren aan een cafétafel zit te kaarten en te roken. Natuurlijk toont elk goed kunstwerk tegelijk wat is weggelaten en buiten beeld blijft. In dit geval is dat de wereld buiten de muren van het café. Geborgenheid binnen een intieme huiselijke sfeer is immers niet mogelijk zonder een buitenwereld waar de elementen tekeergaan. De verstrooiing van het kaartspel en het roken bieden slechts een tijdelijke ontsnapping aan de strijd om het bestaan, aan de secondewijzer en zijn onvermoeibare jacht op de toekomst.
Hoewel de sigaret in de negentiende eeuw gaandeweg meer in zwang raakt, is het vooral de eeuw van de pijp. Deze wordt voornamelijk gerookt door mannen, die niet alleen al lang de jaren des onderscheids hebben bereikt, maar ook zodanig in hun onderhoud kunnen voorzien en hun plek hebben gevonden, dat ze het zich kunnen permitteren in alle rust een pijpje te roken. Kortom, mannen die bij de nieuwe vaart der volkeren vooral iets te verliezen hebben en deze daarom proberen te vertragen.


Neem nou Maurice de Vlamincks Portret van Père Bouju, uit 1900. De contouren van het gezicht van de pijproker lossen op in de wilde pasteuze streken op de achtergrond die een storm suggereren, maar midden in deze werveling bevindt zich, als het kalme oog van een cycloon, de pijp als het enige dat substantieel lijkt en dus houvast biedt, het enige dat duurzaam is. Nu, meer dan honderd jaar nadat dit schilderij is geschilderd, weten we dat de pijp toch haar onaantastbare positie heeft moeten afstaan, want de twintigste eeuw kan gekarakteriseerd worden als de eeuw van de sigaret. Deze past beter bij het roekeloze avontuur van de nieuwe tijd en de moderne beschaving. De sigaret geeft zich immers vrijwel helemaal, en zeker de sigaret zonder filter. De pijp echter is veel te bedaard en gemoedelijk voor een dergelijk kamikaze-achtig avontuur, hij blijft gereserveerd en bewaart zijn onafhankelijkheid. ‘Alles met mate’, zegt de pijp. ‘Alles of niets’, antwoordt de sigaret. Toch blijft er altijd sprake van een wederzijdse heimelijke jaloezie. De pijp zou soms een sigaret willen zijn, zich in het diepe willen storten, terwijl de sigaret ergens altijd blijft hunkeren naar de zielenrust van de pijp.
Sigaret en pijp kennen een volkomen ander tijdsbegrip. De pijp maakt deel uit van een zich herhalende cyclische tijd, aangezien de pijp steeds weer opnieuw gestopt kan worden. De sigaret daarentegen kan maar één keer gerookt worden en dus is de tijd binnen de wereld van de sigaret lineair en onomkeerbaar, anders gezegd: modern. Terwijl de pijp in staat is een illusie te creëren van geborgenheid en tevredenheid binnen een besloten en homogene gemeenschap, is de sigaret een symbool van de moderne, open samenleving waarin men niet zonder wanhoop steeds constateert dat men bedrogen uitkomt omdat elk heftig en kortstondig genot slechts een onstilbare honger naar meer prikkelt. Terwijl de pijp een symbool is van duurzaamheid, rust en vrede, is de sigaret een symbool van onzekerheid, spanning en oorlog. Terwijl de pijp een loyaal persoonlijk bezit is, geeft de sigaret zich, zoals elk publiek bezit, aan iedereen. Zij is inwisselbaar, niet te vatten, voordat men het weet is zij weer verdwenen. Daarom vormt de sigaret ook een haast ideale belichaming van de vrijheid, die immers even verleidelijk en verraderlijk door de vingers glipt.
Terwijl pijp en sigaar onmiskenbaar aan een fallus doen denken, heeft de sigaret meer weg van een moderne bruid in een strakke kokerrok. De negentiende-eeuwse Victoriaanse rookkamer is weliswaar een mannenkamer, maar dat betekent natuurlijk niet dat er in deze periode geen vrouwen zijn die het roken beoefenen. Al in de zeventiende eeuw werd, zij het op beperkte schaal, door vrouwen in de Republiek der Nederlanden pijp gerookt. En het roken van in elegant papier gerolde tabak, oftewel sigaretten, waait in de achttiende eeuw over vanuit de Spaanse koloniën naar Spanje, waar het aanvankelijk vooral een vrouwelijke aangelegenheid is. Wel wordt in de Victoriaanse tijd een rokende vrouw in toenemende mate onelegant en onfatsoenlijk geacht. Vrouwen behoren op geen enkele wijze in het openbaar te kennen geven dat ook zij zingenot zoeken. Waar rook is, is vuur en door te roken maakt een vrouw haar innerlijk vuur zichtbaar. Aan het mannelijke taboe op roken door vrouwen ligt immers de angst van de man voor het zelfstandig erotisch bestaan van de vrouw ten grondslag. Alleen prostituées mogen roken teneinde zich, bij gebrek aan straatlantaarns, in het duister zichtbaar te maken.


In Emil Noldes Sigarettenrookster uit 1907 lijkt het taboe op roken door vrouwen tegelijk te worden bevestigd en doorbroken. Een boerin op klompen, door de toeschouwer van achteren gezien, draait haar hoofd naar ons om met een weinig gracieus shagje in haar mond. Het is niet alleen alsof we onbedoeld getuige zijn van een intieme handeling, maar ook alsof we haar betrappen op iets wat niet hoort. Toch lijkt haar furieus als een sigaret gloeiende oog er een van een zelfbewuste vrouw, die zich op grond van haar harde werk het recht op privé-rookgenot toeeigent: ‘Niemand moet tussen mij en mijn rookgenot komen’. Zij houdt zich immers aan het taboe, want zij rookt in afzondering, puur voor zichzelf, niet om een signaal aan een man te geven.


Zo’n kleine twintig jaar later trekken veel vrouwen zich van het taboe al niets
meer aan. Neem bijvoorbeeld de journaliste Sylvia Harden, zoals te zien is in het portret dat Otto Dix van haar maakte in 1926. Op de tafel voor haar staat niet alleen een elegant cocktailglas, maar liggen ook een open pakje sigaretten en een doosje lucifers. Voor deze vrouw is de discussie over het recht van vrouwen op dit genotmiddel een gepasseerd station. De schaamte over roken in het openbaar is zij allang voorbij. Met haar kortgeknipte haar en haar sigaret maakt ze een volledig geëmancipeerde indruk. Ze is bovendien een intellectueel naar wie wordt geluisterd. Zij voert het woord en zet haar betoog met gesticulaties zo’n kracht bij dat haar handen alle aandacht naar zich toe trekken. Zij heeft niet alleen haar genot maar ook de wereld in haar hand. We hebben hier te maken met een toprookster die na jarenlange praktijkervaring de techniek van het roken tot een gestileerd ballet, een verfijnde kunst, heeft weten te verheffen. Haar handen hebben zich inmiddels zo volkomen aangepast aan de sigaret dat haar lange slanke vingers aan sigaretten doen denken. Al zou men ook kunnen stellen dat de sigaret haar elfde vinger is geworden. Haar vingers zijn voor sigaretten voorbestemd, zij bezit ideale vingers om te roken. En toch, hoewel de hand die haar sigaret vasthoudt even ongevaarlijk is als een roofdier dat haar prooi verorbert, ligt haar andere hand juist hongerig en hypnotiserend op de loer en wekt de indruk dat deze niet alleen elk moment het doosje sigaretten kan grijpen maar ook een eventueel andere prooi die zich binnen bereik aandient… Voor wie zich nog mocht afvragen wat dat zou kunnen zijn is haar kousenband een indicatie… Zelden werd Hitler’s aseksuele uitspraak ‘Deutsche weiber rauchen nicht’, zo fraai weersproken. Alsof ze antwoordt: ‘Duitse vrouwen schreeuwen wel degelijk wanneer ze klaarkomen’.


De sigaret wordt in de twintigste eeuw niet alleen een onmiskenbaar teken van de emancipatie van de vrouw, maar ook van die van de jeugd. De sigaret is een teken van initiatie, dat niet zozeer door de samenleving is verleend, maar vooral door de roker aan zichzelf. Wie rookt zegt: ‘Ik ben volwassen, ik doe mee en hoor er bij’. Daarnaast is de sigaret ook de witte wimpel van de eigen identiteit en persoonlijke vrijheid. De roker wil erbij horen maar zich tegelijk onderscheiden, wie rookt zegt ook: ‘Ik ben anders’.
In Berlijns straattafereel uit 1913 van Ernest Ludwig Kirchner, is de dandy de enige in de menigte die rookt. Althans zo lijkt het, tot we ons realiseren dat hij weliswaar een sigaret tussen zijn lippen heeft maar dat we geen rook zien. Heeft de dandy de sigaret soms nog niet aangestoken omdat deze in maagdelijke staat meer body heeft en dus meer aandacht trekt? Het is goed mogelijk, want dandy’s roken immers niet zozeer voor de smaak en het genot, maar hanteren de sigaret vooral om zichzelf te verweren tegen de anonimiteit van de stad. Om de wereld op een afstand te houden en zich tegelijk kenbaar te maken aan de anderen: ik heb een sigaret in mijn mond dus ik besta. De sigaret aansteken, dat wil zeggen het ultieme wapen werkelijk inzetten om een rooksignaal af te geven en de eigen rook bezit te laten nemen van de publieke ruimte, dat kan altijd nog. Het is de burger weliswaar niet toegestaan om in de stadsjungle zijn territorium af te bakenen door een plasje te plegen, maar hij kan in plaats daarvan wel een sigaret roken.
Deze dirigeerstok waarmee men eindeloos kan manipuleren is dus in staat om iedereen een gevoel van macht te bezorgen. De sigaret is zo democratisch dat zij iedereen de illusie van een aristocratische leefstijl verschaft. De rookkringels zijn trapladders waarlangs men niet alleen naar een hoger maatschappelijk niveau opklimt, maar uiteindelijk zelfs uit het aardse tranendal ontsnapt naar hogere sferen. De sigaret brengt het hoofd in de wolken, haar rookkrans verleent elke gewone sterveling een aureool. Kortom, de sigaret is even democratisch als de dood… Wie lang genoeg naar sigarettenrook kijkt, zal er een diepe waarheid in ontdekken. Door te verhullen onthult de rook namelijk het onwezenlijke wezen van de materie, de contingentie van het Zijn, hetgeen wil zeggen dat alles wat is er evengoed niet kan zijn. Niet voor niets gebruikten de oude Grieken hetzelfde woord voor waarheid en ‘dichte mist’.


Gedurende de gehele twintigste eeuw geven kunstwerken blijk van de bijzondere relatie tussen roken en kunst. Weinig schilders hebben zoveel zelfportretten met sigaret gemaakt als Max Beckmann. In Zelfportret in tuxedo uit 1927 is de pose frontaal, de blik ernstig en zo indringend oog in oog dat de hand met de sigaret tussenbeide moet komen en doet denken aan een wapen. Een degen, waarmee het zelfportret de schilder op een afstand houdt: kom niet te dichtbij. De hand met de sigaret geeft zodoende de voorwaarde aan voor het zelfportret: het vinden van een balans tussen de noodzakelijke confrontatie en de even noodzakelijke afstand. De sigaret biedt de schilder dus niet alleen de mogelijkheid om zijn penseel neer te leggen en toch iets in handen te hebben, maar het is ook een instrument waarmee de kunstenaar afstand kan nemen, zodat hij naar zichzelf kan kijken.
Ook Henri Matisse vond dat er een verband bestond tussen zijn ware
persoonlijkheid en de sigaret. ‘Als ik een zelfportret maak zal ik de sigaret die ik rook niet verbergen noch mijn bril of de paar haren op mijn kale schedel. Mijn benadering is niet esthetisch. Ik wil kenschetsen, waarbij ik datgene dat niet essentieel is en daarom afbreuk doet aan de hypnotiserende kracht van het beeld elimineer’, zo zegt hij in 1947 tegen Pablo Picasso. Matisse beschouwt de sigaret dus als een essentieel onderdeel van zichzelf. Picasso begrijpt dit natuurlijk, de sigaret is ook zijn onafscheidelijke metgezel. Een enkele keer is de sigaret soms ook letterlijk zijn wapen. Franoise Gilot vertelt over een onaangename scène: ‘De hel brak los. Pablo drukte een brandende sigaret in mijn wang om mij te ‘‘brandmerken’’.


Ook de pijp figureert in meerdere van Picasso’s schilderijen als buffer die de man beschermt tegen de overweldigende kracht van de vrouw. Zoals in Le Couple(1967): als aan een vlot op zee klampt de man zich vast aan zijn pijp. Het is ook een dubbelzinnige buffer, die suggereert dat dezelfde fallus die de man aan de vrouw uitlevert, tegelijk het wapen is waarmee hij haar op een afstand houdt. Picasso stelt hier een eeuwige probleem aan de orde, het probleem dat de vrouw voor de man in het algemeen vormt en dus ook voor de mannelijke kunstenaar. Ook deze dient zich immers niet in haar te verliezen maar zodanig afstand te bewaren dat hij haar als model en inspiratiebron kan aanwenden.
Wanneer het roken een bezwering is van de veranderingen van de natuur dan is het niet vreemd dat er in tijden van grote sociale onzekerheid, crisis en oorlog veel wordt gerookt. Door een sigaret op te steken, zich te vullen met rook en deze weer uit te blazen, kan de soldaat even zijn angst overwinnen. Even aan het vuur van de strijd ontstijgen en de gruwelen vergeten, de illusie koesteren dat hij zijn lot in eigen hand heeft. Vandaar dat oorlogen er voor zorgen dat niet alleen de mensheid maar ook de tabak zich over de aarde verspreidt. Kenmerk van vuur is dat het om zich heen grijpt en dat geldt ook voor brandend tabak. Door toedoen van Engelse en Hollandse troepen wordt het pijproken populair in Duitsland tijdens de Dertigjarige oorlog ( 1618-1648). De verschrikkingen van de Spaans-Napoleontische oorlog (1808-1813) dragen bij aan de verspreiding van sigaar en sigaret over de rest van Europa. Na de Krimoorlog (1868) nemen de Franse soldaten Turkse tabak en fijngesneden oriëntaalse sigaretten mee naar huis.

De Eerste en Tweede Wereldoorlog zijn verantwoordelijk voor de verspreiding van Engelse en Amerikaanse melanges op het continent. Het vuur van de oorlog en het vuur van de sigaret grijpen in de twintigste eeuw dus hand in hand om zich heen. Tot tweemaal toe worden door Europese naties aangestoken wereldbranden door het vuur van Amerikaanse kanonnen en sigaretten geblust. Pas de rook van Amerikaanse en Russische wapens en sigaretten zal het roken van de crematoria in de Duitse vernietigingskampen doen ophouden. Hitler, die roken verafschuwt moet het afleggen tegen een driemanschap van rokers: Roosevelt, Churchill en Stalin. Amerika treedt als voornaamste supermacht naar voren en in haar kielzog verovert de sigaret de wereld. De eeuw van Amerika is tevens de eeuw van de sigaret.
Nadat de twintigste eeuw verstreken was riep de Franse filosoof Bernard Henri Levy deze uit tot ‘de eeuw van Sartre.’ Grote woorden, toch kan degene die deze eeuw met zijn ongekende terreur en streven naar vrijheid wil begrijpen, moeilijk om Sartre en zijn existentialisme heen. In ieder geval verdient hij zeker een plaats in het pantheon van beroemde rokers uit de twintigste eeuw. Al was het alleen maar om zijn uitspraak: ‘Een leven zonder sigaretten is iets minder de moeite van het leven waard’. Een uitspraak die diepgang krijgt wanneer men beseft dat voor Sartre het vrije denken, het vrije woord en het roken onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden.


De tabak is niet alleen een belangrijke brandstof voor de overwinning van de
democratie op het Nazisme, maar ook voor latere emancipatie- en democratiserings-bewegingen. Kijken we naar The Discussion(1959) , een collage gemaakt door Renato Guttuso aan de vooravond van de jaren zestig, dan zien we dat de tabak hier de brandstof is van de vrije discussie. Sigaretten scherpen het denken en slijpen dus de meningsverschillen. Tegelijk is de rook die alle deelnemers aan de discussie omkringelt, een bindende factor bij de totstandkoming van een aanvaardbaar compromis.
Opnieuw constateren we dus hoe het roken net zoals in de oude rituelen de onderlinge solidariteit binnen een gezelschap bevordert. Keerzijde hiervan is dat een sigaret in de hand van een eenzame roker juist gezien wordt als een pover surrogaat voor zijn gebrek aan gezelschap. Zoals de sigaret de onderlinge band versterkt, zo benadrukt deze evengoed de afwezigheid ervan en wordt dan zelfs tot een symbool van het isolement van het individu. Neem nu A Woman in the Sun uit 1961 van Edward Hopper.

Tegen de achtergrond van een beslapen eenpersoonsbed staat een naakte, ongeveer vijftigjarige vrouw midden in een kamer en staart door een raam naar het morgenlicht. Zoals zo vaak bij Hoppers personages, staart ze echter niet zozeer naar buiten, maar naar binnen, naar zichzelf. De sigaret is hier niet alleen een middel tot reflectie, maar accentueert ook haar volkomen naaktheid, maakt haar nog naakter dan ze al is. De sigaret is hier het teken van de algemene menselijke toestand: daar sta je dan, tegenover het mysterie van je leven. Naakt en alleen tegenover de dageraad en de toekomst.

Het menselijk bedrijf is slechts rook en ijdelheid. Als de kunst de neerslag is van het leven, wat is de kunst dan anders dan rook? In Painting Smoking Eating(1973) van Philippe Guston zien we dat ook de kunstenaar het alleen moet doen. Zonder hulp van de goden, zonder zonlicht. Zijn atelier is weinig meer dan een volgepakte kast, een benauwende baarmoeder die slechts door een naakt peertje wordt verlicht. Zijn sigaret staat niet langer in contact met hogere sferen. De inademing van de rook biedt geen inspiratie meer: painter’s block. De sigaret is nog slechts het medium en de barometer van het niets. Er zit niets anders op dan creatio ex nihilo, creatie vanuit het niets. Het is dus hard werken geblazen. Gelukkig geeft het feit dat de schilder om zijn eigen situatie kan lachen, hem de kracht om door te gaan en nog meer schoenen te verslijten.


Was de sigaret aan het begin van de eeuw nog een teken van maatschappelijke initiatie aan het einde ervan is zij een teken van creatief en sociaal onvermogen. In Atlantic(1997), een hoefijzervormige driescherm-filminstallatie van Sam Taylor Wood zien we op het middenscherm een totaalshot van een restaurant met gasten aan tafels. Tegen de achtergrond hiervan zien we op de beide andere, tegenover elkaar staande schermen, links een close-up van een vrouw en rechts een close-up van de handen van een man, met asbak en sigaret. Hun conversatie is even onverstaanbaar als het algemene geroezemoes. Duidelijk is dat er sprake is van relationele spanning. Beiden voelen zich onbehaaglijk, de vrouw huilt zelfs terwijl de handelingen van de man van nervositeit getuigen. Zijn hand tipt de as af, legt de sigaret in de asbeukgleuf, drukt de sigaret uit, schuift de asbak weg, veegt het tafellaken schoon, pakt de wijnfles, pulkt het label los, doet het pulksel in de asbak, enzovoort. Aangezien de man geen gezicht heeft, is hij hier gereduceerd tot zijn sigaret, tot een lul. Zijn onvermogen om de vrouw gelukkig te maken, wordt verbeeldt door zijn slappe, verschrompelde peuk in de asbak.


Ook Damien Hirst geeft in Stubbed out love (1993) , een wit kastje met plankjes waarop sigaretten zijn uitgedrukt, zijn boodschap door middel van peuken weer.
De titel suggereert dat liefdes uiteindelijk hetzelfde lot ondergaan als de sigaret: alleen de manier waarop dit gebeurt is steeds weer anders. Geen peuk is hetzelfde, net als de letters van een alfabet, en alle peuken samen hebben iets weg van een tekst in een oeroude taal die zich niet laat ontcijferen.
Betrad de sigaret in het begin van de eeuw in al haar glorieuze en nog maagdelijke witheid het toneel van de kunst, aan het eind van de eeuw figureert zij voornamelijk nog als peuk. Op het eerst gezicht lijkt het ironisch dat in de jaren tachtig juist in Amerika, het land dat zowel de bakermat van de tabak als ’s werelds grootste tabak-producent is, de kruistocht tegen het roken wordt ingezet. Bij nader inzien is het misschien juist logisch, liefde en haat liggen nu eenmaal dichtbij elkaar.
In Tom Wolfes spraakmakende roman uit 1987 The Bonfire of the Vanities wordt de roker al opgevoerd als behorend tot een uitstervend ras. Wanneer de ongelukkige hoofdpersoon Sherman McCoy een advocaat raadpleegt, blijkt deze een ‘tabak-acrobaat’ oftewel ‘de laatste van de Grote Rokers’: ‘Hij nam een diepe hijs van de sigaret, liet de rook uit zijn mond krullen en snoof deze in twee dikke kolommen in zijn neusgaten op. Dit stond bekend als Frans-inhaleren. Bovendien blies hij grote rookringen en vervolgens snelle kleine rookringen door de grotere…’
Anno 2003 is de roker, net als de indiaan, van wie hij zijn gewoonte geërfd heeft, in Amerika echter nog steeds niet uitgestorven. Nog steeds leeft hij voort, zij het dan vooral als verschoppeling, zoals in Zwerver in Chicago, een schilderij van Marcus Delanjo uit 1986. Op de achtergrond wijzen spookachtige flatgebouwen met gestandaardiseerde donkere vensters de dakloze zwerver onverbiddelijk af. Verstoten klampt deze zich vast aan zijn sigaret, de enige trouwe vriend die hem nog rest. Delanjo’s schilderij is actueler dan ooit, want nu presidenten, filmsterren en andere winnaars niet meer roken, lijkt de sigaret nog slechts een troostprijs voor verliezers. Of Delanjo het nou zo bedoeld heeft is niet van belang, maar het staat de kijker ook vrij om de sigaret hier in plaats van als symptoom juist als oorzaak van de ballingschap te zien. Vanuit dat perspectief beschouwd kijken we hier naar een toekomstbeeld van de rookvrije stad waarin de op straat geworpen roker een
paria is die nog het enige menselijke vertegenwoordigt.


Feit is dat sinds 1 april 2003 zowel in de stad als de staat New York een absoluut rookverbod geldt voor alle openbare gelegenheden, inclusief cafés en restaurants. Alleen een paar cigar bars zijn vrijgesteld. De eerste maand deelde de gemeente alleen waarschuwingen uit, inmiddels komt de rookpolitie langs. Na drie boetes oplopend van 500 tot 2.000 dollar wordt de zaak bij de vierde overtreding dichtgespijkerd. Dat de sigaret niet langer een van overheidswege goedgekeurd teken van vrijheid is bleek ook hieruit dat op het moment dat deze wet van kracht werd, Amerikaanse troepen bezig waren het Irakese volk van hun dictator te bevrijden, zonder sigaretten uit te delen.
Dit neemt overigens niet weg dat er naar schatting jaarlijks nog steeds 5,3 triljoen sigaretten worden geproduceerd, waarvan het grootste deel in Amerika zelf. Er zijn namelijk nog altijd meer dan een miljard rokers in de wereld. Hiervan sterven er per jaar bijna vijf miljoen aan tabaksgerelateerde ziekten, wat meer is dan aan malaria en aids samen. Aangezien dit aantal zonder wereldwijde maatregelen in de komende twintig jaar zal verdubbelen, hebben 129 landen in mei 2003 binnen het kader van de World Health Organisation unaniem een anti-rookverdrag aangenomen. Reclame voor tabaksproducten wordt beperkt, deelnemende landen worden verplicht tot de heffing van een flinke belasting op rookwaren, tenminste eenderde van de verpakking moet worden gebruikt voor een gezondheidswaarschuwing, ingrediënten dienen te worden vermeld en aanduidingen als ‘mild’ en ‘light’ zijn voortaan verboden.
Ook binnen de Europese Unie, waar jaarlijks een half miljoen mensen (waarvan 10% passieve rokers) aan tabaksgerelateerde ziekten sterven, is de anti-rookwetgeving inmiddels aanzienlijk verscherpt. Het Europese Hof van Justitie besloot bijvoorbeeld tot maatregelen die de producenten dwingen tot het reduceren van het teer en nicotinegehalte en het verscherpen van de inhoud en de omvang van de gezondheidswaarschuwingen. Bovendien keurden Europese gezondheidsministers een maatregel goed die niet alleen tabaksreclame verbiedt maar vanaf 2005 ook de sponsoring van internationale sportmanifestaties (zoals Formule 1 races) door sigarettenmerken. Dat de anti-rookcampagne inmiddels tevens absurde vormen aanneemt bleek toen het Europees Parlement overheden opriep om ook chocoladesigaretten te verbieden.
In Nederland wordt vanaf 1 januari 2004 een nieuwe Tabakswet van kracht die een totaal rookverbod in gesloten openbare ruimten voorschrijft. Dit geldt niet alleen voor sportkantines en buurthuizen, maar ook voor recreatieruimten van psychiatrische inrichtingen. Alle werknemers hebben vanaf die datum wettelijk recht op een rookvrije werkplek. De horeca krijgt nog even respijt, in cafés en restaurants kunnen bezoekers voorlopig nog tot onbepaalde datum blijven roken.
‘De goden zijn ziekten geworden’, schreef Carl Jung ooit. Dat geldt zeker voor de voormalige god Tabak. Alle goden zijn scheppend en tegelijk dodelijk maar dat laatste wordt van deze god niet meer geaccepteerd. Toch vallen er kanttekeningen te plaatsen bij de huidige War on Smoking. Een steeds groter deel van het geld dat de tabaksindustrie jaarlijks incasseert (tussen 300 en 400 miljard dollar per jaar) gaat naar de belastingen, en de ironie wil dat de meeste overheden die accijns eigenlijk niet kunnen missen voor hun begroting. Voortdurend wordt gewezen op de gevaren waaraan ook niet-rokers worden blootgesteld, maar hoeveel schadelijke stoffen produceren industrieën en auto’s die de achteloze voetganger passief inhaleert? Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de tabaksindustrie als zondebok fungeert voor een beschaving die op ongekende schaal het milieu verontreinigt en levens verwoest.
Terwijl de rookverboden een zegen voor de niet-roker zijn, voelen veel rokers zich aangetast in hun fundamentele recht op zelfbeschikking. Voor hen wordt het roken onderhand een verzetsdaad waarbij de vieze tabakssmaak steeds meer naar vrijheid gaat smaken. Feit is dat de roker binnen de privé-sfeer ongestoord kan blijven genieten van de vrijheid om zijn eigen verslaving te kiezen.
De vrijheid om een deel van de eigen potentiële leef-tijd te doden en in te ruilen tegen een korter maar intenser bestaan. Immers, een lang leven is niet het enige kwalitatieve leven. Natuurlijk zijn aan het roken grote gezondheidsrisico’s verbonden, maar een leven zonder risico’s is niet interessant. Juist de flirt met de dood bevredigt nou eenmaal de behoefte aan piekervaringen. Ondanks alle verboden zal de praktijk dus weerspannig blijken. In een wereld die weinig houvast biedt, waarin de kleinste oorzaak rampzalige gevolgen kan hebben en het individu zich voelt overgeleverd aan culturele krachten waartegen hij net zo machteloos staat als tegenover natuurrampen, heeft de mens behoefte om iets in de hand te hebben. Al is het maar een sigaret. Zelfs het Vrijheidsbeeld steekt er zo nu dan eentje op, zo wil het gerucht.
Rogier Ormeling

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s