Verlangen naar de Horizon/Longing for the Horizon: Jan Cremer

Toen ik aan twee museumbobo’s vertelde dat Jan Cremer mij had gevraagd om de catalogustekst te schrijven voor zijn tentoonstelling in het Scheepvaartmuseum reageerden zij afkeurend. Nee, ik noem geen namen, maar geen nood: als u op zoek bent naar opgeklopte schandaaltjes, geruzie tussen BN-ers en naming& shaming dan kunt u inmiddels overal elders terecht. Toch grappig dat Cremer nog altijd zulke hevige reacties weet op te wekken. Met zijn boek Ik, Jan Cremer legde hij ooit de eerste mega-steen van onze ik-cultuur.  Maar terwijl ons land inmiddels vergeven is van dikke hufterige ikken schildert Cremer zichzelf juist weg in zijn zeegezichten. Of toch niet? Cremer, schilder van de Zee, is nog te bezichtigen t/m 7 april.

scheepvaart-emailJan met Cape Cod(2012)

Kijk dat doet de zee. En aan de zee zou je je willen toevertrouwen?’ zei Calypso tegen Odysseus

HEIMWEE NAAR DE HORIZON (English translation below Dutch text)

In Umbrië, het groene en ruige hart van Italië, heeft Jan Cremer een landgoed annex schildersatelier. Middenin een stil en glooiend heuvellandschap met cipressen en zijn eigen olijfboomgaard. Juist hier, in een van de weinige Italiaanse regio’s die niet aan zee grenst, laat hij zich al een jaar of twaalf inspireren door zeeherinneringen, die als het ware door de tramontana, de koele polaire Noordenwind worden aangevoerd. Herinneringen bijvoorbeeld aan mei 1957, toen hij als 17-jarige matroos aanmonsterde op de wilde vaart en de wereld zich op onvergetelijke wijze voor hem opende.

(Ter attentie: voordat u verder gaat met lezen. Zorg dat u goed uitgeslapen bent en een gezonde en stevig maaltijd hebt genoten. Geen vette worst en boter en niet te zout. Strooi er wat gemberpoeder doorheen, dat wil nog weleens werken. Vooral geen alcohol en vermijdt de geur van dieseldamp. Verzet u niet tegen de deining en blijf zoveel mogelijk bovendeks.)

07_cor

Noordwaarts varend, over de Noordzee, de Oostzee, de Finse Golf, rond de Noordkaap, door de Noordelijke IJszee, Barentszee, naar Scandinavische en Russische havens, strekten de golven zich veelbelovend voor hem uit. Oerterrein van het menselijke avontuur, romantisch vaarwater bij uitstek. Eeuwig symbool van de vrijheid die een gecompliceerde, deels in tehuizen doorgebrachte jeugd in benauwend ‘rottig’ Holland van hem afspoelde. En daarmee ook elke autoriteit en instantie die hem in een keurslijf had willen dwingen. Vergeefs. De zee tilde hem op en bood hem de ruimte om zijn eigen weg te gaan. Weliswaar was zij evengoed een verraderlijke vijand die hem plotseling dreigde te verzwelgen, maar dat prikkelde slechts zijn overlevingsdrang en stelde hem in staat zijn krachten te tonen. Bovendien kon hij zich met de zee identificeren. Haar rusteloosheid was een spiegel waarin hij zichzelf herkende, zodat hij eindelijk tot rust kwam. Dat dynamische geborrel, gebruis en gebrul was ook zijn taal. De oudste taal, de oudste muziek, die de ontembare jongen tot luisteren dwong. Voor het eerst leek het echt tot hem door te dringen dat vrijheid slechts bestaat bij de gratie van een zekere begrenzing en discipline.

‘Ik leerde met bloed, zweet en tranen knopen en splitsen; de acht, de klens, de platte, de verbindings, de kruis, de halve schild, de staande wants, de turkse, de valreeps, de halve en de hele sjouwermans en de mastworp, roergangen, wachtlopen, peilloden, koffie zetten, bikken, verven, teren, loodstrapje uithangen, smokkelen, keilen, mess aanvegen, vlaggen, ankerkettingen inhalen, kompas en kaartlezen, tallyen, sloepenrollen, voor- en achterklaar maken, aan de binzen staan, luiken dichtgooien, etc. etc.’ *

Die zeereizen vormden niet alleen Cremers rite de passage maar eigenlijk ook de oorsprong van zijn huidige zeegezichten. Want tussen de drukke bedrijven door snoof hij gretig alle indrukken op. De onophoudelijke gedaantewisselingen, het eindeloze spel van vorm en vormeloosheid. De vervliegende effecten: weerkaatsingen, verstrooiingen en tintelingen van licht. De duizelingwekkende variëteit aan kleurnuances: indigo, grijs, groen en soms ook roodbruin, al naar gelang de zonnestraling en de hoeveelheid plankton. De zee die het ene moment een in zichzelf besloten mechaniek leek en het volgende moment weer vol vitale expressie, met hoge eendrachtig voortjagende golven die elkaar tegelijk bevochten om boven te liggen. Maar altijd volmaakt, ongenaakbaar, amoreel en onverschillig tegenover de mens. Desondanks een sublieme aanval op de zintuigen, een totaaltheater dat zijn hele emotiespectrum aansprak. Het kan bijna niet anders of de zee was een van Cremers leermeesters, die hem leerde alle registers te openen, alle retorische middelen te gebruiken, zowel tijdens het schrijven als het schilderen. Al zou hij zich niet aan de natuur gebonden achten. Zijn kunst is weliswaar een neerslag van reële ervaringen en gebeurtenissen maar maakt zich los van de realiteit die niettemin onmiskenbare sporen achterlaat.

Ook de wilde vaart kent zijn beperkingen, Cremer bleef pendelen tussen wat de Duitsers ‘fernweh’ noemen en heimwee. ’Als je lang op zee bent wil je naar de haven en als je in de haven bent wil je weer naar zee.’ In de zomer van 1958 zegt hij de koopvaardij voorlopig vaarwel om zijn artistieke ambities te realiseren. Via Duitsland en Zwitserland trekt hij naar Italië, werkt onderweg op boerderijen, tekent, bezoekt musea, volgt in Perugia de zomeracademie waar de beeldhouwer Marino Marini doceert en arriveert uiteindelijk in Parijs, dat sinds de oorlog weer een bruisend centrum van vrijheid en cultureel leven is. Hier dient hij zich aan in de Rue Santeuil waar een Nederlandse kunstenaarskolonie is neergestreken: Karel Appel, Corneille, Lotti van der Gaag en Bram Bogart. Vooral de abstract-expressionistische materieschilderkunst van de laatste, opgebouwd uit dikke pasteuze aardetinten, zand, steen, gips, jute enzovoort, maakt grote indruk op Cremer. Net als Jackson Pollocks action painting en in minder mate Cobra. Al die invloeden mengend, bouwmaterialen en weefsels gebruikend, zijn doeken bespattend en met drippings versierend, ontwikkelt hij zijn anti-esthetische ‘peinture barbarisme’, waarmee hij in Nederland opzien baart. ‘Ik sodemieter verf op een doek, ik druip, spat, sla, schop, ik vecht met verf en soms win ik,’ zo stelt het negentienjarige schildersbeest. De rest van zijn komeetachtige verschijning aan het culturele firmament mag bekend worden verondersteld. Ook in de literatuur doorbreekt hij de grenzen tussen hoge en lage cultuur. Nadat in 1964 zijn geruchtmakende internationale bestseller Ik, Jan Cremer is verschenen wijkt hij vanwege alle commotie uit naar New York. Na allerlei omzwervingen betrekt hij een huis in Cape Cod om daar voor korte tijd enige rust te vinden. Inderdaad: waar anders dan vlakbij zee.

Hoewel zijn zee-impressies onuitwisbaar in zijn geheugen staan gegrift zal het nog lang duren voordat Cremer die structureel in zijn schilderkunst verwerkt. Hollandse tulpenlandschappen en weides, andere reisindrukken zoals die van de Mongoolse Gobi-woestijn en Alpengebergten krijgen voorrang. Pas bijna vijftig jaar na zijn koopvaardijreizen, als hij inmiddels nog vele andere zee-ervaringen heeft opgedaan, volgt plotseling een ware tsunami aan zeebeelden.

Als je de zee wilt schilderen dan moet je de gedaante van de zee aannemen, zo lijkt Cremers instinctieve motto. Zwaar bewapend met penselen, troffels, spatels en paletmessen, stort hij zich als een springvloed op zijn grootformaat doeken om die te bedelven onder dikke lagen moddervette verf die vervolgens nog eens heftig worden omgewoeld. Al is er geen sprake van blind controleverlies, na die eerste overrompeling wijkt Cremer immers beheerst terug, om zoals hij zelf zegt ’als een schermer mijn treffers te plaatsen.’ Ruwe verfstreken en subtiele toetsen wisselen elkaar dus af. Is het spetterende hoogtij eenmaal uitgewoed, het duel voorbij, de verf uitgedropen en opgedroogd, dan blijken de ongrijpbare golven uit zijn geheugen omgezet in tastbare vaste materie. Zeelandschappen eigenlijk. Bezaaid met sculpturale reliëfs, die organisch uit het doek lijken op te wellen. Een Cremer-zeegezicht kan zijn materiële afkomst niet verloochenen en moet een weerbarstige huid hebben. Noem het mariene sedimentatie of korstig gestolde oermoederkoek. Die desondanks niet meer dan schijnhouvast biedt, want de toeschouwer is middenin zee geworpen. Aan zijn lot overgelaten. Geen drijfhout waaraan hij zich kan vastklampen. Geen mens of schip.

08_cor                                                                                                     De zeldzame keer dat er toch sprake is van een teken van menselijk leven zoals in Kielzog(2005) wordt het spoor- waarnaast ook enkele schijnbaar willekeurige rode toetsen zijn aangebracht- op hetzelfde moment alweer uitgewist terwijl het slechts als zodanig herkenbaar was dankzij de titel. Geen land in zicht: geen rotskust of strand. Meegesleurd door golven die elkaar in hun dionysische razernij opkloppen tot schuim. Verloren in een oneindig kolkende oeverloze vlakte. Neem het monumentale tweeluik Noordkaap (2010) dat de ’in zee geworpene’ met een mengeling van huiveringwekkend ontzag en afgrijzen bevangt. Minstens windkracht 9, met uitschieters naar 11. Temidden van deze onmenselijk koude golvenfurie is geen plaats voor individuele vormen. Ook de vogels zijn allang gevlogen. Zelfs met een reddingvest houd je het hier niet langer dan twintig minuten uit, ook al zoekt je overlevingsinstinct in de stuifnevels nog naar een houvast, de contouren van een offshore helikopter bijvoorbeeld. Gelukkig is het maar een schilderij.

df208d3c-5ffc-11e2-9559-b949519d466c_original.jpg.h380Odyssey

Overigens wordt de ruimtelijke illusie in Noordkaap net als in Ocean (2009) gecreëerd door middel van een atmosferisch perspectief, dat wil zeggen door het blauw naar boven toe te verijlen. Of zelfs te laten oplossen in wit licht, zoals in Odyssey (2009). Spookachtig oprijzende golftoppen lijken hier niet van plan om wie dan ook zomaar door te laten. Het menselijke avontuur bestaat immers slechts bij de gratie van dodelijke hindernissen, geen inwijding zonder beproeving, thuiskomen kan alleen door eerst op reis te gaan. Dat lijken althans de diepere essenties van het Homerische epos waarnaar de titel verwijst. En wie zou durven beweren dat de blinde dichter dat niet goed heeft gezien? Fijne ironie: Cremer, ooit beschouwd als ’het schuim der natie’ blijkt een meester in de schildering van schuim. In Blue Storm (2009) is het watervlak er zelfs grotendeels mee bedekt, alleen aan een wak in het schuim kunnen we nog zien dat we op zee zitten. ‘Ook ik was ooit schuim,’ zei Aphrodite tegen Poseidon.

Zolang de drie elementen: zee, horizon en hemel, nog enigszins van elkaar zijn te onderscheiden maken Cremers zeegezichten natuurlijk vooral een figuratieve indruk, vervagen de grenzen dan wordt het geheel abstracter. Bovendien: hoe hoger de horizon en hoe platter dus de voorstelling hoe meer die kantelt naar abstractie. De balans slaat nog verder door wanneer alles zodanig vervloeit dat er geen sprake meer lijkt van een horizon en een hemel. Toch, zelfs wanneer er volledig op de golven is ingezoomd creëren de verfreliëfs en kleurendynamiek onmiskenbare illusies van duizelingwekkende zeewaterbewegingen, diepte en temperatuur.

11_cor

Zoals in Barents’ Zee(2005) waar het blauwwitte watervlak is doorvlochten met expressieve rode en gele toetsen. Maar ook in Witte Zee(2007) en Monets Ocean (2009) dat verwijst naar de wijze waarop Monet inzoomde op zijn vijver in Giverny zodat de figuratie uiteenviel in abstracte patronen. Vergaand geabstraheerd is ook Silent Sea (2009): een opstapeling van vier grillig gevormde kleurbanen, waarbij vooral het contrast tussen het maagdelijke rozewit en het demonische zwart de januskop van de zee weet te vatten.

Ons evenwichtsorgaan heeft behoefte aan een horizon. Alsof hij het benauwd krijgt van het abstraherende inzoomen breekt Cremer de ruimte weer open, zoals in Cape Cod (2012). Als uitgelaten jonge honden schieten diep verzonken blauw en schuimend wit de verte in om daar uiteindelijk tegen een dungepenseelde transparante wolkenhemel te spatten. Hoewel Cremers zeegezichten niet verhalend zijn zit er wel vaak een verhaal aan vast. Tijdens zijn verblijf in Amerika was hij van 1965-1970 intens bevriend met de Nederlandse abstract-expressionistische schilder Willem de Kooning, wiens werk hij zeer bewonderde. Vanuit de Koonings atelier op Long Island fietsten ze regelmatig samen naar het uiterste puntje van het schiereiland, naar Montauk, om bij de befaamde aan Holland herinnerende vuurtoren de zon te zien opkomen. Ook bezochten ze bij wijze van bedevaart een kerkhofje met het graf van Hans Hoffman, een belangrijk grondlegger van het abstract-expressionisme. Anno 2007 schilderde Cremer zijn eerste herinnering aan die gedenkwaardige fietstochtjes. Op Montauk Sunrise(2007) heeft de dageraad een oscillerende gouden loper over de blauwgroene baren uitgerold, alsof je daarover naar Holland zou kunnen lopen. Montauk Sunrise II(2010) daarentegen neigt sterker naar volledige abstractie en lijkt tevens een eerbetoon aan het werk van de Kooning. Het morgenrood werpt hier een parelende warreling van kleurvlekken op het water, alsof je je ogen half dicht hebt geknepen. Telkens weer versnippert Cremer het beeldvlak in kaleidoscopische wemelingen, zinderende schiftingen die allemaal aandacht vragen en je ogen over het hele doek verstrooien. Niet dat je er moe van wordt, trefzekere ritmische toetsen houden de symfonie bijeen en zorgen voor rust.

A man that is born falls into a dream like a man who falls into the sea. If he tries to
climb out into the air as inexperienced people endeavor to do, he drowns, zo lezen we in Lord Jim, Joseph Conrads befaamde schipbreukroman. Dit citaat lijkt tevens van toepassing op Cremer want ook bij hem biedt de lucht, voor zover die althans zichtbaar is, geen verlossing. Van transcendentie kan geen sprake zijn. Immanentie troef: we liggen er middenin en zijn geheel door haar eeuwige actualiteit omgeven. Geen ontsnappen aan. Of we willen of niet: we blijven kinderen van zee en kunnen nooit volledig uit haar moederschoot evolueren. Maar zelfs wanneer dat mogelijk was dan zouden we er nog steeds naar terug verlangen. Heimwee naar zee, alsof zij roept: ’Kom toch naar huis!’

Alsof we de evolutiefilm willen terugdraaien om ons te baden in wat de schrijver Roman Rolland ooit in een brief aan Freud het ‘oceanische gevoel’ noemde. De tijdloze ervaring van verbondenheid met de omringende ruimte, wanneer de barrières tussen het ik en de buitenwereld lijken weggevallen. Het gevoel een golf temidden van de golven te zijn. Vooral tijdens de negentiende eeuwse Romantiek en dan met name in de Duitse muziek en beeldende kunst werd de oceanische beleving populair. Zo wilde Wagner met zijn composities het publiek meevoeren en onderdompelen in orkestklanken die hij met de zee vergeleek. Het kan geen toeval zijn dat Cremer tijdens het schilderen de tonen van Die Ring des Nibelungen door zijn atelier en dus ook tegen zijn doeken laat spoelen.

Ook met de Duitse romantische schilder Caspar David Friedrich(1774-1840) die de kijker liet verwijlen in oneindige landschappen en zeegezichten, voelt Cremer een sterke affiniteit. Inplaats van haar een lieflijk masker op te zetten toonde Friedrich het onsentimentele en onherbergzame materialisme van de natuur. Het ging hem niet om de weergave van schoonheid maar van het sublieme en de gemengde gevoelens die dit opriep: genot en pijn, extase, doodsangst en levensvreugde. Dat alles treffen we ook in Cremers zeegezichten aan. Net als die typisch romantische ambivalentie: je enerzijds willen verliezen in de verte, in ontzagwekkende natuur, terwijl die anderzijds juist dient als podium voor zelfverwerkelijking.

zeegezicht2009_02Noordland

Nergens treedt dit laatste scherper naar voren als in het hartstochtelijke Cremerrood. Neem het vermiljoen in Red Fog Red Sun(2010) dat zich als een vulkanische uitbarsting over de zee heeft geworpen. Het rood in Noordland (2008) dat als een diepe wond of een oerbaarmoederlijke maandstonde het blauw penetreert. Het rood dat heen en weer zwikt in een volkomen denkbeeldige Mongoolse Zee(2007): immers de Mongolen hebben geen zee, ze dromen er alleen van, in kleuren die ze bij uitstek waarderen. Of neem het rood dat in dorstige zandwolken vanuit de woestijn komt aanwaaien (Sahara Storm 2012).

De zee blijft de krachtigste metafoor voor het perpetuum mobile van de natuur: alles stroomt. Tegelijk is zij de continuïteit zelve, in tegenstelling tot de cultuur kent zij voor- noch achteruitgang. Cremer laat ook zien hoe onmenselijk de zee is, als een moeder die haar kinderen niet wil kennen. Toch betoont hij haar vooral zijn dankbaarheid voor het feit dat zij hem de wijde wereld bracht, voor de tomeloze energie die hij nog steeds aan haar ontleent. Wist u dat de orgaantjes die de energiehuishouding van onze cellen regelen, de zogeheten mitochondriën, hoogstwaarschijnlijk ooit vrij in zee levende bacteriën waren? Cremer is zelf de zee: zijn levensgeschiedenis is even turbulent. Het is alsof hij steeds weer zegt: zolang er zee is is er passie en zolang er passie is is er hoop op leven.

Rogier Ormeling

PS
Nadat hij na alle omzwervingen tenslotte was thuisgekomen bij Penelope wees Odysseus toch weer naar de horizon: ‘Vrouw nog hebben we het einde van de uitdaging niet bereikt; er komt een dag waarop zich een belangrijke, moeilijke en omvangrijke opdracht aandient die ik moet volbrengen.’

De catalogus is verkrijbaar bij het Scheepvaartmuseum en bij uitgeverij d’Jonge Hond via internet. Hieronder nog een hilarisch filmpje starring Cremer in New York en daaronder de Engelse vertaling van mijn catalogustekst

Jaren 60: Jan Cremer (Hoepla) – YouTube

21 sep. 2011 – Geüpload door Letterkundig Museum

Trino Flothuis interviewt Jan Cremer in New York en vraagt aan New Yorkers of ze Jan Cremer kennen.

 

The cataloguetext accompanying the exhibition Cremer, painter of the Sea at the Amsterdam Scheepvaartmuseum:

‘Look, this is what the sea does. Now would you really put yourself in her hands?’ Calypso said to Odysseus.

Longing for the horizon

In Umbria, the green and rugged heart of Italy, Jan Cremer has a country estate and painter’s studio. In the middle of a quiet area filled with sloping hills, cypresses and his very own olive orchard.  Right here, in one of the few Italian regions that does not border on the sea, recollections of his life at sea have been an inspiration for about twelve years now, as if they are conveyed by the tramontana, the cool polar northern wind. Memories from the year 1957, for example, when he was seventeen years old and signed up as an ordinary sailor on a tramp steamer, after which the world would open itself to him in an unforgettable manner.

(Just a few words of advice before you continue reading. Make sure you had a good night’s sleep and enjoyed a healthy and substantial meal. No greasy sausage and butter and not too salty. Sprinkle it with some ginger powder, sometimes this helps. Be sure to stay away from alcohol and avoid the scent of diesel vapour. Do not resist the movements of the ship and stay on the main deck if you can.)

07_cor

Heading northward, across the North Sea, the Baltic Sea, the Gulf of Finland, around the North Cape, across the Norwegian Sea, to Scandinavian and Russian harbours, he was met by surging waves that were full of promise. Primitive territory of human adventures, romantic waters par excellence. An everlasting symbol of the freedom that washed away a complex childhood, partially spent in children’s homes in suffocating ‘lousy’ Holland. And with it every authority and official body that tried to shackle him. However, to no avail. The sea lifted him and enabled him to go his own way. Admittedly, she was also a treacherous enemy who tried to swallow him unawares, but this merely roused his survival instinct and allowed him to exhibit his strength. Besides, he could identify with the sea. Her restlessness was a mirror in which he recognized himself, enabling him to finally get some peace. The dynamic effervesce, seething and roaring was his own language as well. The oldest language, the oldest music, which forced the irrepressible boy to listen. For the first time it really seemed to dawn on him that freedom only exists by virtue of certain boundaries and discipline.

*With blood, sweat and tears I learned how to knot and splice, take over the helm and the watch, make soundings, brew coffee, hack off rust, paint, tar, smuggle, fight, clean up the messroom, signal, heave anchor chains, read the compass and maps, take inventory, conduct lifeboat drills, take care of the cables, batten down the hatches, and everything else.

Not only did those voyages shape Cremer’s rite of passage, they were also the true origins of his current seascapes. Although he was very busy on the ship, he eagerly lapped up whatever was happening around him. The unrelenting metamorphoses, the endless game of form and formlessness. The fleeting effects: the reflection, scattering and twinkling of light. The dizzying variety of shades, indigo, grey, green and sometimes also reddish brown, depending on the amount of sunlight and plankton. The sea, one moment acting like a mechanism withdrawn into itself, the next filled with vital expression, with high, united hurrying waves that also seemed to fight each other to get the upper hand. But always flawless, unapproachable, amoral and indifferent towards man. In spite of this, a sublime attack on the senses, a total theatre that appealed to his entire emotional spectrum. The sea must have been one of Cremer’s masters, teaching him to pull out all the stops, to use every possible rhetorical means, both in writing and in painting. Notwithstanding this, he considered himself not bound by nature. His art may be a reflection of real-life experiences and events, but it breaks free from reality, even though this leaves unmistakable traces.

The tramp trade also has its limitations. Cremer continued to go back and forth between what the Germans call ‘Fernweh’ (a longing for the distance) and a yearning for home. ‘When you spend a long time at sea you want to return to the harbour and when you are in the harbour you want to go back to sea.’ In the summer of 1958 he temporarily bids farewell to the merchant navy in order to materialize his artistic ambitions. He heads for Italy via Germany and Switzerland, along the way he works on farms, he draws, visits museums, follows a course at the Summer Academy in Perugia, where the sculptor Marino Marini lectures, and finally he arrives in Paris, which has once again become a vibrant centre of freedom and cultural activity after the war. He presents himself at the Rue Santeuil, where a Dutch art colony has descended: Karel Appel, Corneille, Lotti van der Gaag and Bram Bogart. In particular the abstract-expressionist matter paintings of the latter, composed of thick pastel earthen hues, sand, stone, plaster, jute etcetera, make a strong impression on Cremer. Just like Jackson Pollock’s action painting and, to a lesser extent, CoBra. While mixing those influences, using building materials and fabrics, splattering his canvases and decorating them with drippings, Cremer develops his anti-aesthetic ‘peinture barbarisme’, which causes a stir in the Netherlands. ‘I slap some paint on a canvas, I drip, splash, hit, kick. I fight with paint and sometimes I win’, the nineteen-year old savage painter argues. His subsequent meteoric appearance in the artistic firmament has been well documented. In literature he also breaks down barriers between high and low culture. When in 1964 his controversial international bestseller I, Jan Cremer is published, he moves to New York to avoid all the commotion. After various escapades he moves into a house in Cape Cod to find some peace for a short while. And where? Near the sea, where else?

Although his impressions of the sea are ineradicably stamped on Cremer’s memory, it will be a long time before he structurally incorporates them in his paintings. Dutch tulip landscapes and pastures, other travel impressions, like those of the Mongolian Gobi Desert and the Alps, are given priority. It was not until fifty years after his merchant voyages, having gained many other sea experiences by then, that a real tsunami of sea paintings ensued.

If you want to paint the sea, you have to take on the guise of the sea, Cremer’s instinctive motto seems to be. Heavily armed with brushes, trowels, spatulas and pallet knives, he throws himself onto his large-sized canvases like a spring flood in order to bury them under thick layers of muddy paint that are subsequently being churned. This is not simply a matter of losing control though, after this first surprise attack Cremer retreats in a restrained way in order to ‘score his hits like a fencer’, as he puts it. Thus rough paint strokes and subtle touches alternate with each other. Once the splashing high tide has subsided, the fight is over and the paint has dripped and dried, the elusive waves from his memory have been converted into tangible, solid matter. Marine landscapes, as it were. Studded with sculptural reliefs that seem to surge organically from the canvas. A Cremer seascape cannot deny its physical origins and it needs a rough-textured skin. Call it marine sediment or crust-like coagulated primeval placenta. Notwithstanding this, it is only feigning, something to hold on to, since the spectator has been thrown out into the sea. Left to his own devices. No driftwood to cling on to. No human being or a ship.

08_cor

Those rare occasions that show signs of human life, such as in Kielzog (2005), the waketrail – next to which some seemingly random touches of red have been applied – is wiped away at the same time, while this could only be recognized as such by the title. No land in sight: no rocky coast or beach. Dragged along by the waves which whip each other into clouds of spume in their Dionysian rage. Lost in a  swirling endless plain. For example, take the monumental diptych Noordkaap (2010), which paralyses ‘those who are cast into the sea’ with a mixture of awe and horror. At least wind force 9, peaking at 11 if not more. This inhumane, cold fury of waves leaves no room for individual forms. The birds have flown a long time ago. Even with a life jacket you would not last twenty minutes, however hard your instinct to survive is trying to find something to grasp hold of in the mists drifting by, such as the contours of an offshore helicopter. Thank God it’s only a painting.

df208d3c-5ffc-11e2-9559-b949519d466c_original.jpg.h380Odyssey

Furthermore, an atmospheric perspective is used to create the spatial illusion in Noordkaap, which means the blue is gradually thinning upwards, just like in Ocean (2009). Or even dissolving in white light, which happens in Odyssey (2009). Crests rising eerily do not seem intent on letting anyone through as easy as that. After all, human adventure exists only by virtue of lethal obstacles, no initiation without trial, if you want to come home you have to travel first. At least, this seems to be the essence of the Homeric epic, to which the title refers, and who would dare maintain that the observation of the blind poet was incorrect? Ironically, Cremer, who was once looked upon as ‘the scum of the nation’, appears to be a master at painting foam. In Blue Storm (2009) the water surface is even largely covered with it, only a hole in the spume reveals we are still at sea. ‘I arose from the spume’, Aphrodite told Poseidon.

As long as the three elements, sea, horizon and heaven, can still be distinguished from each other to some extent, Cremer’s seascapes appear to be figurative. If the lines blur the image usually tends to be more abstract. Besides: the higher the horizon, and thus the flatter the representation, the more it tilts towards abstraction. This balance tips even more if everything runs to such extent that both horizon and heaven appear to be absent. Nevertheless, even if the waves are fully zoomed in upon, the relief painting and the colour dynamics create unmistakable illusions of dizzying movements of seawater, depth and temperature.

11_cor

Like in Barents’ Zee (2005), where the blue-white water surface is intertwined with expressive red and yellow touches. But also in Witte Zee (2007) and Monet’s Ocean (2009), which refers to the way in which Monet zoomed in on his pond in Giverny, so the figuration disintegrated into abstract patterns. Silent Sea (2009) is also drastically abstracted: an accumulation of four capriciously shaped colour strips, where the contrast between the virginal pink-white and the demonic black truely manages to catch the Janus face of the sea.

scheepvaart-email Jan with Cape Cod

Our organ of balance needs a horizon. As if the increasing level of abstraction caused by his zooming in stifles him, Cremer widens the space again, as Cape Cod (2012) shows. Like exuberant dogs the deeply submerged blue and frothy white rocket into the distance where eventually they splash against a thinly brushed, transparent cloudy sky. Cremer’s seascapes may not be narrative, but often there is a story attached to them. During his time in America he developed an intense friendship with the Dutch abstract expressionist painter Willem de Kooning, whose work he admired greatly. They often cycled from De Kooning’s studio on Long Island to Montauk, on the utmost tip of the peninsula, to watch the sun rise at the famous lighthouse, which is reminiscent of Holland. By way of pilgrimage they also visited a small churchyard containing the grave of Hans Hoffman, an important founder of abstract expressionism. In the year 2007 Cremer painted his first recollection of those memorable cycling trips. In Montauk Sunrise (2007) dawn has unrolled an oscillating gold carpet over the blue-green billows, as if you could walk to Holland across them. Montauk Sunrise II (2010), on the other hand, verges rather on total abstraction and it also seems to be an homage to De Kooning’s work. Here the red of dawn casts a sparkling whirl of colour stains on the water, as if you have slightly narrowed your eyes. Time and again Cremer fragments the picture plane in kaleidoscope swarmings, sweltering siftings that all attract attention and divert your eyes over the entire canvas. Not that it tires you,well-aimed, rhythmic strokes keep the symphony together and provide tranquillity.

A man who is born falls into a dream like a man who falls into the sea. If he tries to climb out into the air as inexperienced people endeavour to do, he drowns, Joseph Conrad wrote in his renowned shipwreck novel Lord Jim. This quotation seems to apply to Cremer as well, since the sky, insofar as it is visible, offers no redemption. Hence transcendence doesn’t come into it. Immanence all around: we lie in the middle of it and are completely encircled by its everlasting topicality. There is no escape from it. Whether we like it or not: we will always be children of the sea and we can never fully evolve from her womb. But even if we could, we would still long for her, as if she calls: ‘Come back home! ‘

As if we want to rewind the film of evolution in order to bathe ourselves in the ‘Oceanic feeling’, as the writer Roman Rolland once called it in a letter to Freud. The timeless experience of being connected to what surrounds us, when the barriers between the ego and the outside world seem to have disappeared. When you feel like a wave amidst waves. During the nineteenth-century Romantic Movement, most notably in German music and visual arts, the oceanic experience became popular. Thus Wagner wanted his compositions to lead and immerse the audience in orchestral sounds he compared to the sea. It can hardly be accidental that Cremer lets the tones of Die Ring des Nibelungen sweep through his studio and therefore also against the canvas whilst he is painting.

Cremer also feels a strong affinity with the German romantic painter Caspar David Friedrich (1771-1840), who let the spectator linger in infinite landscapes and sea pieces. Instead of providing her with a charming mask, Friedrich showed the unsentimental and inhospitable materialism of nature. He was not concerned with representing beauty, but with painting the sublime and the mixed feelings it evokes: bliss and pain, ecstasy, mortal fear and the joy of living. All this can be found in Cremer’s sea pieces too. The same applies to that typically romantic ambivalence: on the one hand you want to lose yourself in the distance, in awe-inspiring nature, which on the other hand also serves as a stage for self-realization.

zeegezicht2009_02 Noordland

Nowhere does this come to the fore more poignantly than in the passionate Cremer red. Take the vermilion that has thrown itself across the sea like a volcanic eruption in Red Fog Red Sun (2010). The red in Noordland (2008) that penetrates the blue like a deep wound or a monthly period from the primal womb. The red that snaps back and forth in a completely imaginary Mongoolse Zee (2007): after all, the Mongols live without the sea, they only dream of it, in colours they thoroughly appreciate. Or take the red that is being blown about in thirsty sand clouds from the desert (Sahara Storm 2012).

The sea will always be the most powerful metaphor for the perpetuum mobile of nature:  everything flows. At the same time, she is continuity personified, unlike culture she knows neither progress nor decline. Cremer also shows the inhuman nature of the sea, like a mother who does not want to know her children. Yet above all, he expresses his gratitude for the fact that she handed him the wide world, for the unbridled energy he still draws from her. Did you know that the little organs that take care of the energy management of our cells – the so-called mitochondria – were probably once bacteria, living freely in the sea? Cremer himself is the sea: his life story is equally turbulent. It is as if he repeatedly says: as long as the sea is still here, there is passion and as long as there is passion, there is hope.

Rogier Ormeling (translation Robert-Jan Breeman)

P.S. When Odysseus eventually came home to Penelope after his diversions, he pointed to the horizon once again: ‘Lady, we have not yet come to the issue of all our labours; but still there will be toil unmeasured, long and difficult, that I must needs bring to a full end.’ 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s