Rijke verzamelaars geven wat terug

 

De rijkste 1 % ligt op koers om rond 2030 2/3 oftewel 64% van ’s werelds rijkdom te bezitten, volgens een alarmerende recente analyse van de House of Commons Library.  Het kan niet anders of dat gaat met extreme instabiliteit, democratisch verval, corruptie en armoede gepaard. De laatste piek in inkomensongelijkheid trad op in 1913.                            Een jaar later brak WO I uit.

Temidden van alle strijd en chaos blijft kunst, althans voor zover dat mogelijk is, een toevluchtsoord voor enige bezinning. Althans voor wie dat kan betalen, tegelijk zijn er echter ook steeds meer rijken die musea stichten en/ of daaraan kunstcollecties schenken.

Zo heeft de miljardairsfamilie van der Vorm (scheepvaart, kolen, Holland-Amerika-lijn) onlangs het particuliere cultuurfonds Droom en Daad opgericht dat de stad Rotterdam ”nóg mooier en beter”‘  wil maken. “Wij investeren in cultuur voor iedereen; van Pietje Bell tot Erasmus. De stichting initieert, stimuleert, investeert en realiseert. Zo werken wij mee aan een aantrekkelijke stad voor bewoners en bezoekers”‘ aldus de website van de stichting.

Directeur van de stichting is voormalig Rijksmuseumdirecteur Wim Pijbes die in april in het tv programma Buitenhof  vertelde dat Droom en Daad ondermeer een Landverhuizersmuseum financiert in Rotterdam( over al die migranten die via Rotterdam ons land hebben verlaten of juist zijn binnengekomen) dat rond 2023 zal opengaan.  Pijbes:
“‘Je ziet dat er nu een generatie filantropen opstaat, Amerika voorop, die zo rijk zijn dat ze vanuit een sociale verantwoordelijkheid willen teruggeven aan de samenleving waaraan ze zoveel te danken hebben. We staan aan de vooravond van de grootste transgenerationele vermogensovedracht ooit. Met veel babyboomers, die nu 70 , 80 zijn, veel geld hebben en nadenken over de toekomst als ze er niet meer zijn. Zo heeft professor filantropie aan de VU Rene Bekkers, becijferd dat er tussen nu en 40 jaar 100 miljard beschikbaar zal zijn voor goede doelen.”‘

In 2004 schreef ik voor Tableau Magazine een stuk over een eerdere generatie rijke kunst verzamelaars die ook mooie dingen voor gewone en minder bedeelde medemensen deden.

KUNSTRIDDERS

Ontdekken en aan de vergetelheid onttrekken, daarin schuilt een van de grootste vreugden van de verzamelaar. Zou het soms komen omdat hij dan zelf iets van een kunstenaar weg heeft? ’Een kunstenaar creërt geen werk, hij ontdekt het,’ schreef de Franse schrijver André Malraux ooit. Net als kunstenaars worden verzamelaars nogal eens bekeken als mensen waaraan een steekje los zit, wat de meeste verzamelaars overigens grif toegeven. De ervaring leert hen dat elke hartstocht de neiging heeft om obsessieve vormen aan te nemen. Maar wat is het leven zonder passie? Wie zich met kunst omringt verdedigt zich tegen de zielloosheid van de materie, kunst is immers bezieling van materie. Een portret van vier invloedrijke kunstverzamelaars.

 

Wie kent niet Het Joodse Bruidje van Rembrandt, Brieflezende Vrouw van Johannes Vermeer, De Molen Bij Wijk Bij Duurstede van Jacob van Ruisdael of Het Vrolijke Huisgezin van Jan Steen? Al kan men zich deze werken misschien niet altijd precies voor de geest halen de meeste mensen kunnen zich er wel ongeveer een voorstelling van maken. Maar wie weet dat deze wereldberoemde topstukken samen met een indrukwekkend aantal andere meesterwerken aan de gemeente Amsterdam werden nagelaten door de Amsterdamse bankier Adriaan van der Hoop (1778-1854)? Daarom hebben het Rijksmuseum en het Amsterdams Historisch Museum de 150-jarige viering van dit geschenk aangegrepen om door middel van tentoonstellingen de schijnwerpers te richten op de gulle gever en te laten zien hoe verstrekkend Van der Hoops invloed is geweest op ons huidig beeld van de Nederlandse schilderkunst. Zoals de geschiedenis in belangrijke mate is geschapen door de beslissingen van individuen zo wordt ook de kunstgeschiedenis geschapen door de beslissingen van individuele kunstenaars en verzamelaars.

Adriaan van der Hoop door Jan Adam Kruseman rond 1850

In 1815, het jaar van het Weense Congres waar de overwinning op Napoleon wordt bezegeld door de officiële restauratie van de door hem verjaagde Europese vorsten, wordt Adriaan van der Hoop firmant van het Amsterdamse bankiershuis Hope& Co. Blijkbaar weet hij optimaal gebruik te maken van de kansen die de Restauratie hem biedt, want door zijn succesvolle connecties met het tsarenhuis van Rusland dat inmiddels een invloedrijke grootmacht is, verwerft hij een centrale rol bij de bank. Zo treedt hij tijdens officiële rondleidingen in Holland zowel op als gastheer van Alexander I (1814) als van Alexander II (1839). Bov endien kan deze zoon van een Oranjegezinde minister van Marine ook met de Nederlandse koningen Willem I en Willem II zo goed overweg dat hij zich ontpopt als een bondgenoot, ondermeer in zijn functie als lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Na de leden van het koninklijke huis is Van der Hoop in 1851 de hoogst aangeslagene in de personele belasting. Bij zijn overlijden bezit hij, inclusief een geschatte kunstcollectie van een half miljoen een vermogen van circa 5,5 miljoen gulden, wat tegenwoordig zou neerkomen op een veelvoud daarvan. Kortom hij was een van de rijkste burgers van Nederland. Money follows art. Begin jaren dertig begint Van der Hoop met het verzamelen van kunst. Aanvankelijk koopt hij via bemiddeling door kunstmakelaars vooral werk van 17e eeuwse Hollandse schilders, maar gaandeweg ook van levende meesters. Zou deze voorkeur voor werken uit het roemrijke nationaal verleden soms deels een reactie zijn geweest op het geknakte Hollandse zelfbewustzijn als gevolg van de Belgische afscheiding in 1831? De meeste schilderijen komen in Van der Hoops monumentale woonhuis aan de Keizersgracht 444-446 in Amsterdam te hangen, anderen in Spaarnberg, zijn buiten met landschapspark bij Santpoort waar hij in een kas met centrale verwarming (een noviteit toen) tevens exotische planten kweekt en bovendien voor zijn renpaarden een harddraversbaan aanlegt.
Rijkdom verplicht, zo kennen de meeste religies de plicht tot filantropie. Als medeoprichter van het Nederlands Bijbelgenootschap, dat de goedkope uitgave en verspreiding van de bijbel tot doel had, zal Van der Hoop de oudtestamentische vermaning ‘Wee hij die rijk sterft’ ongetwijfeld gekend hebben. Je mag rijkdom en kunst vergaren maar je moet die wel delen en dus aan de gemeenschap ten goede laten komen. Dit was een wijdverbreid ethos, ook de Rockefellers, de VanderBilts en Frick, eveneens steenrijke en protestante Amerikaanse particulieren en kunstverzamelaars uit de tweede helft van de negentiende eeuw, handelden hiernaar. Zij verzamelden immers weliswaar deels om sociaal te klimmen en ‘adeldom’ te verwerven maar ook vanuit moreel idealisme. Ligt het genot van het bezit ook niet juist hierin dat dit in staat stelt tot vrijgevigheid, vooral wanneer men daarmee bovendien maatschappelijk aanzien, prestige en status kan verwerven?

 De hospitaaltuin van Saint-Rémy, 1889

In het jaar dat Van der Hoop sterft, wordt de latere kunstverzamelaar Lodewijk Cornelis Enthoven (1854-1920) geboren, wiens grootvader dertig jaar eerder in Den Haag een ijzergieterij en -pletterij had gesticht die later naar Delft verhuisde. Hoewel Lodewijk Cornelis binnen het bedrijf geen functie zal bekleden is hij wel aandeelhouder. Na zijn huwelijk met de eveneens welgestelde Cornelia Johanna Smit verhuist hij naar Voorburg waar Museum Swaensteyn momenteel met een tentoonstelling een beeld probeert te geven van zijn leven en zijn collectie. Feitelijk is over Enthoven weinig bekend, hij schijnt niet alleen de publiciteit te hebben geschuwd maar zelfs te hebben geweigerd om zich te laten portretteren. In het calvinistische Nederland wordt men niet geacht te pronken maar gewoon te doen. Ook de mecenas Enthoven die kunstenaars die in geldnood verkeren zoals Vincent van Gogh, (met wie hij tijdens diens Haagse tijd (1881-1883) in contact was geraakt) ondersteuning biedt, wil niet dat aan zijn rijkdom en gulheid enige ruchtbaarheid wordt gegeven. Men doet zijn goede werken in stilte maar niet in het openbaar, anders is het niets dan ijdelheid. Overigens blijven de meeste mecenassen in Nederland ook tegenwoordig nog liever anoniem in tegenstelling tot Amerika waar het eerder een opzichtig sociale gebeurtenis is, wat voor de kunst het prettig gevolg heeft dat men in de rij staat om qua vrijgevigheid tegen elkaar op te bieden. Vandaar ook dat oud-Rijksmuseum directeur Henk van Os tijdens een symposium over mecenaat in het Concertgebouw onlangs de mecenassen in ons land opriep om naar buiten te treden.

 Korenschelven in de Provence

Nadat Van Gogh in 1886 uit Antwerpen is vertrokken wordt het contact tussen hem en Enthoven om onduidelijke redenen verbroken. Opmerkelijk is dat Enthoven bij testament bepaalt dat zijn gehele kunstcollectie in het openbaar te gelde moet worden gemaakt. Uit de boedelinventaris en veiligcatalogi blijkt dat Enthoven vermoedelijk niet alleen maar liefst 65 werken van Van Gogh bezit, waarvan op zijn minst 47 olieverf-schilderijen en 18 tekeningen en aquarellen maar ook nog een flink aantal werken van andere meesters zoals Khnopff, Redon, Toorop, Gauguin, Minne, Verster, Van Hoytema en Thorn-Prikker en bovendien Japanse prenten, antieke meubels, Delfts blauw, tapijten en kunstboeken. De verzameling Van Goghs van Van Enthoven was de eerste en een van de grootste ooit in publiek bezit. Sommige van de werken uit zijn collectie zoals De hospitaaltuin van Saint-Rémy, Wandelpad in het park en Korenschelven in de Provence worden tegenwoordig als hoogtepunten gezien in het oeuvre van Van Gogh. Diens ster was in 1920 inmiddels rijzende, voor de veiling bestaat een enorme belangstelling, ook verschillende grote dagbladen schenken er aandacht aan. De hospitaaltuin van Saint-Rémy brengt het meeste op en wordt afgehamerd op f 18.000. Een aanzienlijk deel van de kunstcollectie wordt gekocht voor de verzameling van Hélène Kröller Müller.
Enthovens voorkeur ging uit naar symbolistische invloeden in het algemeen en Van Gogh in het bijzonder. Hij verzamelde hem al toen nog bijna niemand van hem gehoord had, bovendien kocht hij werk van kunstenaars die tot de Nederlandse en internationale avant-garde behoorden. Als verzamelaar was hij zijn tijd vooruit. Hoewel Enthoven uitsluitend van zijn aandeelhouderschap leefde, past hij zondermeer in het beeld van de ondernemer-verzamelaar die wel houdt van een sportieve gok met onbekende en nieuwe en dus risicovolle kunst.

Lijdt de ware collectioneur niet een beetje aan een zelfde soort complex als de prins in het sprookje van Assepoester? Ook de Zwitserse verzamelaar Oscar Ghez (1905-1998), uit wiens collectie meesterstukken zijn te zien in de Kunsthal onder de titel Van Renoir tot Picasso, liet zich bovenal leiden door zijn persoonlijke smaak. Ook hij was een pionier die zijn stempel op de kunstgeschiedenis zou drukken door kunstenaars te ontdekken die door de kenners, de musea en het grote publiek werden genegeerd. ‘Een gepassioneerd kunstverzamelaar’ zo luidt de titel van de door zijn zoon Claude voor de Kunsthal geschreven korte biografie. Bijna een understatement, immers de collectie Ghez behoort tot de grootste ter wereld. Maar ook een pleonasme, vormt hartstocht immers niet de onmisbare voorwaarde voor het verzamelen, de voornaamste drijfveer van elke verzamelaar?

  De Oude Clown (1906) Kees van Dongen

Geboren in Tunesië, opgegroeid in Marseille en Rome, en gevlucht naar New York keert de joodse rubberindustrieel in 1945 direct na de bevrijding terug naar Frankrijk. Pas in de jaren vijftig wanneer in korte tijd eerst zijn broer, daarna na een lang en zwaar ziekbed zijn vrouw en tenslotte zijn moeder overlijdt begint Oscar Ghez, overmand door verdriet pas werkelijk met verzamelen. Samen met Claude stroopt hij Parijse galerieën af, maar neemt ook van zakenreizen schilderijen mee terug. Spoedig stapelen de kunstwerken zich op in zijn woningen in Lyon en Genève. Ghez interesseert zich in het bijzonder voor kunstenaars uit het einde van de negentiende en de twintigste eeuw, het impressionisme, neo- en postimpressionisme, fauvisme (waaronder De Oude Clown van Kees van Dongen dat hem diep ontroert), kubisme, Ecole de Paris en het surrealisme, alle stromingen zijn in de collectie vertegenwoordigd.

Gustave Caillebotte Le Pont de L’Europe(1876)

Ghez is een man met een missie, een kunstridder die strijdt voor  een nobele zaak.. Wanneer schilders zoals Gustave Caillebotte niet de erkenning krijgen die ze in zijn ogen verdienen beschouwt hij dat als een onrecht dat hij moet rechtzetten. Vermoedelijk draagt zijn persoonlijke verleden ertoe bij dat hij zich vooral identificeert met exil kunstenaars die hun land voor de oorlog hebben moeten ontvluchten en zich in Parijs hebben gevestigd. In 1960 verkoopt hij zijn rubberfabrieken teneinde zich volledig aan zijn verzameling te kunnen wijden. Zijn idealisme kent geen grenzen, van New York tot Tokio en van Tel Aviv tot Moskou toont hij selecties uit zijn collectie. Zijn geloof in de kunst is zo groot dat hij meent dat deze zelfs het hoogst denkbare doel kan dienen: ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Verenigde Naties organiseert hij een tentoonstelling van schilders uit de gehele wereld met als thema ‘De kunst in dienst van de vrede’ wat ook het motto zal worden van zijn collectie. Of de kunst een dergelijkeverantwoordelijke vredestaak wel aankan en daarmee bovendien niet haar onafhankelijkheid verliest aangezien ze tot een nuttig instrument wordt gereduceerd zal altijd een punt van discussie blijven. Dat neemt niet weg dat Ghez uit het juiste eigenzinnige hout is gesneden, niet gehinderd door de kritiek van de kunstcritici op zijn keuzes blijft hij verzamelen tot aan zijn overlijden in 1998.
Avontuurlijkheid is een eigenschap die ondernemers vaak in meer dan gemiddelde mate bezitten en dan ook graag in het werk van kunstenaars aantreffen. Dat geldt zeker voor Joop van Caldenborgh (1939) eigenaar/ directeur van Caldic een chemiemultinational in Rotterdam en veruit de grootste particuliere collectioneur van hedendaagse kunst in Nederland en misschien wel Europa. Van Mauve tot Mondriaan, van Koch tot Koons zo heet de tentoonstelling in het Singer Museum Laren waar door een mengeling Van de Caldic- collectie en de vaste Singercolectie een fraai overzicht is te zien van Nederlands schilderkunst van voor de Tweede Wereldoorlog, aangevuld met een achttal eigentijdse sculpturen van internationale kunstenaars zoals Jeff Koons, Ron Mueck en John de Andrea. Van Caldenborgh geldt als een alleseter die zo’n beetje alles verzamelt wat los en vast zit, schilderijen, tekeningen, beeldhouwwerken, video, fotografie en installaties. ’Mensen vragen mij wel eens waarom zo breed?’ vertelt hij tijdens een rondleiding door de Singer-zalen. ’Nou ik heb daar toevallig last van! Waar staat geschreven dat ik mij moet beperken? Je hebt verzamelaars die hun hele huis volhangen met Mesdag of Cobra maar ik zou daar zeeziek van worden.’ Dat zijn collectie ooit uiteen zal vallen om zich te verspreiden is dan ook zeker niet Van Caldenborgh’s grootste schrikbeeld, wel dat zijn collectie ooit af zou kunnen zijn.
Gekleed in een slank donkerblauw pak en met veel flair strooit de ‘eenvoudige Rotterdamse koopman’ , zoals hij zichzelf terloops noemt, met de rake karakteriseringen van een kenner die niettemin het enthousiasme heeft behouden van iemand die de tentoongestelde werken voor het eerst ziet. Zo typeert hij Anton Mauve’s Een boer met zijn vee in het weiland (1870) als: ’Klassiek mooi blondgeschilderd, bloody Hollands!’ , en zegt hij over De Dam bij avond (1887) van Isaac Israëls: ’Hoe krijg je het in je hoofd om zo donker zo ’s avonds laat een Dam-impressie te schilderen, dat vind ik boeiend!’

Van Caldenborgh bewondert lef, zoals bijvoorbeeld ook de gedurfde fauvistische kleurstelling van Jan Sluiters in Maannacht IV (1912) dat hij een van de belangrijkste werken uit zijn collectie noemt: ‘Wie schildert het gras nu rood en de lucht groen? En dat in een tijd dat men van gedempte kleuren hield.’ Om tragi-komische anekdotes zit de verzamelaar bepaald niet verlegen. Bij Pyke Koch’s serie van vier vrouwenfiguren die de vier jaargetijden symboliseren vertelt hij dat Koch toen deze al oud was en niet helemaal meer bij nog een keer in een rolstoel langs kwam en naar zijn eigen werk wees: ’Dat moet een goede schilder geweest zijn!’ ‘Dat was u, meneer Koch!’ ’Nee, nee!’ had Koch beslist tegengeworpen. Bij Carel Willink’s Zelfportret met palet (1944), merkt Van Caldenborgh fijntjes op dat Willink een uitdrukking heeft van: ik-ben-de-enige-die-het-kan. ’En zijn latere vrouw Sylvia vindt dat ook. Als ik haar tegenkom zegt ze: ’’Ik begrijp dat u ze heeft meneer Van Caldenborgh, hij was een genie.’’

zelfportret jeff koons(1955)  1991

Ook al wordt in Singer vooral werk van voor de oorlog getoond, over het algemeen verzamelt Van Caldenborgh dus kunst uit zijn eigen levensperiode: ‘Je staat niet op een dag op en zegt: ik word verzamelaar zo werkt dat niet. Op een dag kom je erachter dat je het bent omdat je meer hebt dan je boven je bank kunt hangen. Ik verzamel wat er in mijn leven gebeurt. Zeker in mijn tijd zijn kunstenaars enorm bezig geweest met de wijze van kunst maken, bovendien hebben ze enorm gereageerd op wat er in de wereld gaande is, de oorlog, de sexuele revolutie, 11 september. Al zijn het vaak aangrijpende en shockerende beelden, ze spreken mij enorm aan en doen mij wat. Ook probeer ik kunstenaars te verzamelen die men niks vind, ik zeg niet wie, later zien wewel of ik het bij het rechte eind had.’

Rogier Ormeling

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s