Menselijk Plastic: Gavin Turk

 Bag Soup, 2006 Coloured ink on paper

De mensheid produceert zo’n immense hoeveelheid afval dat het bij lange na niet verwerkt en verbrand wordt. Neem bijvoorbeeld plastics, daarvan wordt slechts 9%  gerecycled, een groot deel van de rest hoopt zich op in oceanen, arme landen en menselijke lichamen. We eten en drinken plastics en ademen die in. Volgens een studie eten mensen gemiddeld tussen de 39.000 en zo”n 52.000 microplastic deeltjes per jaar. Vooral uit plastic flessen drinken komt neer op een drastische verhoging van de inname van microplastics. Die zijn klein genoeg om menselijk weefsel te penetreren en kunnen toxische chemicaliën en schadelijke microben bevatten . Wat de gevolgen zijn voor de gezondheid is nog onbekend.

Onderzoekers  hebben inmiddels ook microplastics aangetroffen in de Alpen en in Noordpoolsneeuw, de hele planeet lijkt erdoor vervuild. Ook ons land kampte onlangs met een afvalcrisis, zo lag tweederde van de verbrandingscapaciteit van Nederlands grootste afvalverbrander AEB enige tijd stil vanwege financiële en technische problemen. Gavin Turk’s tentoonstelling in de Amsterdamse Reflex galerie die om afval draait is dan ook uiterst actueel.

           

Green and Pink with Rubbish Bag, 2019 Acrylic paint on canvas 180 x 160 cm

Neem zijn zeefdrukken op basis van foto”s van volle vuilniszakken. Waar we buiten op straat doorgaans aan achteloos voorbijgaan vraagt nu om nadere beschouwing. Niet dat het geheimzinnig glinsterende polyethyleen ook maar iets van zijn inhoud prijsgeeft, toch lijken het wel portretten. ‘We zijn wat we weggooien’ stelt Turk. Inderdaad: toon mij uw afval en ik zeg wie u bent. Niet voor niets jagen geheime diensten, privédetectives en medewerkers van roddelbaden ”s nachts op vuilniszakkenn van mensen van wie ze meer willen weten.

               

Niet alleen toont Turk zich met zijn zeefdrukken van vuilniszakken schatplichtig aan Warhol maar ze roepen ook associaties op met een bekend werk van Man Ray namelijk Het raadsel van Isidore Ducasse, een in een paardedeken deken gewikkeld onzichtbaar object.

Turk toont ook aquarellen van de objet trouvés oftewel de plastic waterflessen die hij op straat heeft gevonden.

Turk weet hen meesterlijk subtiel,  ofwel eerbiedig teder weer te geven met al hun verkreukelde en ingedeukte nuances alsof het ooit levende wezens waren, ondankbaar mishandeld, dodelijk verwond en weggegooid,  als dieren of zelfs mensen met een eigen biografie en individueel karakter.

Door zelfs een PET- fles te laten ontroeren presteert Turk iets wat je niet voor mogelijk hield. Als we niet respectvol en zorgvuldig met de dingen omgaan dan ook niet met mensen, zo lijkt de diepere boodschap.

 

Gavin Turk

Letting Go t/m 6 december

In 2007 schreef ik  voor het Financieel Dagblad over Gavin Turks solo in het GEM in Den Haag, zie onder

DE AANHALINGSTEKENS VAN GAVIN TURK

De oudste droom waarvan we een verslag hebben staat op een kleitablet van meer dan drieduizend jaar geleden. In een brief vertelt Addudûri, de opzichteres van een paleis in Mesopotamië: ’Ik ging naar de tempel van de godin Bêllit-ekallim, maar haar standbeeld was verdwenen en ook de beelden van de andere goden waren weg! Het was zo’n troosteloos gezicht dat ik maar bleef huilen.’ De oudste droom was dus eigenlijk een nachtmerrie over de afwezigheid van beelden waarop de ogen kunnen rusten, de afwezigheid van idolen. Een nachtmerrie die getuigt van de angst om zonder de verzachtende bemiddeling van een godsbeeld tegenover het Zijn te staan.

Terwijl Gavin Turk deze informatie tot zich laat doordringen kijkt hij dromerig voor zich uit. Zou hij het bezwaarlijk vinden wanneer een recensie van zijn tentoonstelling zo begon? ’O nee, integendeel!’ Betekent dit dat Turk (1967) nu ook al ghostwriter is van de recensies van zijn eigen tentoonstelling? Ergens zou het wel passen binnen zijn oeuvre.

Op zijn eindexamententoonstelling op de Royal College of Art in Londen presenteerde hij Cave, een lege studio met aan de muur een blauwe heritage-plaquette die in Engeland op huizen van overleden beroemdheden zijn aangebracht: ‘Borough of Kensington / Gavin Turk Sculptor / Worked Here 1989-1991.’ De examencommissieleden konden het niet waarderen en weigerden hem een Master of Art-diploma te verlenen. Blijkbaar interpreteerden zij Cave als een cynische statement: dat kunst slechts een strategie is om naam te maken. Net als Plato’s grotbewoners zagen zij alleen de schaduwen op de muur zonder de oorsprong van de projectie te vatten. Want het ging hier natuurlijk om een ironisch commentaar op de geschiedenis van de moderne kunst. Die had de kunst immers geleidelijk aan volledig gedeconstrueerd en ontdaan van alles wat ooit met kunst te maken had–driedimensionaliteit, lijnen, kleuren, vormen, contouren, pigmenten, verfstreken, lijsten, muren, galeries en musea–om tenslotte uit te komen op het idee dat de kunstenaar bepaalt of iets kunst is. Niet het kunstwerk maar de handtekening van de kunstenaar is van doorslaggevend belang. Alles wat door de kunstenaar is gesigneerd, is kunst. Zelfs stront. Door deze filosofie tot haar uiterste conseqwentie door te voeren, zoals in Cave, onderwierp Turk haar nu juist aan een onderzoek.
De ironie wilde dat Turk met Cave de aandacht van de kunstwereld trok en naam maakte, hetgeen ook een onverwachte bevestiging betekende van wat hij aan de orde had gesteld. Turks naam en faam snelden aan zijn kunst vooruit. Cave is nu te bezichtigen in Turks eerste omvangrijke museumsolo, al hangt de plaquette ditmaal niet aan de muur maar staat deze in een Beuysiaanse vitrine.

Er tegenover aan de andere kant van de zaal, hangt Second Coming een surveillancespiegel die de hele zaal en dus ook Cave weerspiegelt. In het spiegelglas heeft Turk zijn handtekening geëtst, zodat niet alleen Cave maar de zaal met alle werken van een indirecte signatuur zijn voorzien. De spiegel is tegelijk ook een verwijzing naar Jan van Eycks beroemde schilderij Het huwelijk van Arnolfini waarop een spiegel staat die de hele kamer weerspiegelt, met daarboven de Latijnse inscriptie: ’Van Eyck Fuit Hic’: Van Eyck was hier. De oude meester hield er van op ongebruikelijke wijze zijn auteurschap kenbaar te maken.

     

Turks verwijzing wordt haast onmerkbaar subtiel duidelijk door de titel van zijn, in dezelfde zaal hangende olieverfschilderij van een bakstenen muurtje dat is opgetrokken uit de kleuren van een staalkaart: Fuit Hic(2003). Turk speelt kortom een spel van verwijzingen waarin niet alleen vele grote namen uit de kunstgeschiedenis figureren maar waarin zijn werken ook onderling naar elkaar verwijzen.
Niet alleen lijkt Turk zich steeds weer af te vragen in hoeverre een handtekening garant staat voor oorspronkelijkheid, maar ook of er eigenlijk wel een zelf bestaat dat de oorsprong van onze handelingen vormt.

Title(1990) bijvoorbeeld is een soort triptiek die feitelijk weinig meer inhoudt dan Turks reusachtige zwarte handtekening op een beige fond. Deze megalomane aanspraak op authenticiteit wordt echter ondermijnd door het op het doek geborduurde legenda waarin wordt vermeldt van welke gerecyclde materialen het werk is gemaakt. Kunst is niet alleen een kringloop van materiaal maar ook van motieven en ideëen.

Evenals de natuur schept de kunstenaar uit afval. Dat lijkt ook de strekking van Pile, een ogenschijnlijk verdwaalde hoop vuilniszakken, die bij nadere kennismaking van geverfd brons blijkt gemaakt. Stel je voor dat op een morgen alle vuilniszakken bronzen monumenten blijken! Je ontkomt er niet aan het gezicht van de vuilnisophalers voor de geest te halen.
Of ze willen of niet: ook kunstenaars zijn epigonen ofwel latergeborenen die op de schouders van hun voorgangers staan. Turk laat niet af om hier in zijn werk voortdurend op te wijzen. Maar in plaats van zich door zijn erfenis te laten neerdrukken schept hij er juist plezier in om daar op speelse en ja zelfs ’oorspronkelijke’ wijze mee te goochelen.

Zo lijkt This is not a Melon(2000), waarachtig veel op een meloen, maar is deze van geverfd brons. Ook Oscar(2000), met zijn bolhoed met oog, zijn ogen in de vorm van halve eierschalen en neus in de vorm van een geweerloop, is een sculpturale vertaling van een schilderij van Magritte.

Terwijl Oscar met zijn reukorgaan de voor hem nog onbekende derde dimensie aftast trekt hij tegelijk een lange neus naar de Warholeske portretten van Joseph Beuys(2005), Che Quevara(2000), Elvis(2005) en Warhol(2006) aan de muur. De goden zijn herboren als seculiere sterren van de cultus van de roem die wordt beleden in de tempels van de massamedia. Maar de idolenparade heeft inmiddels zo’n duizelingwekkende omvang en omloopsnelheid aangenomen dat de idolen aan inflatie onderhevig zijn, zo lijkt Turks onderliggende boodschap. Bij nadere beschouwing ontdekken we dat door de gezichten van deze beroemde iconen de gelaatstrekken van Gavin Turk zelf schemeren.

Zoals ook bij Death of Che(2000), een op een legerbrancard uitgestrekt wassen beeld naar de beroemde foto van de geëxecuteerde Che Quevara. Zijn niet alle portretten ook zelfportretten? Anderzijds is het zelf een fictie, niets staat immers volkomen op zichzelf. Dat ontdekte ook Jean Jacques Rousseau tijdens zijn grote ontdekkingsreis naar het zelf: ’Niets lijkt zo weinig op mijzelf als ikzelf.’ Rimbaud zei het later anders: ’Je est un autre.’ Turk is een metamorfosekunstenaar, die weet dat hij slechts zichzelf kan zijn door zich te vermommen en in de huid van anderen te kruipen. Juist degene die volledig tot zichzelf is gereduceerd is zodanig van zichzelf vervreemd dat hij een niemand is aan wie iedereen voorbijgaat.

Zoals aan Nomad(2003), een volledig bronzen plastiek van een figuur die schuilgaat in een vieze oranjepaarse slaapzak. Het is een ode aan de onbekende dakloze, die de keerzijde van de persoonlijkheidscultus vertegenwoordigt.
Wie diep wil graven kan in Turks werk vele lagen ontdekken, tegelijk slaagt hij erin op relativerende wijze aan de oppervlakte te blijven en het alledaagse te vieren.

Neem nou Just a Chip Fork, een witgeverfde bronzen uitvoering van een patatvorkje, of Decrepit Smile(2006): een dito uitvoering van een polystyrenen beker inclusief koffievlek. Of Spent Match(2005): een bronzen versie van een afgebrande lucifer die daardoor een kostbaar kleinood is geworden. Is kunst een kwestie van materiaal, is alles wat in brons is gegoten kunst?, lijkt de vraag die Turk zich hier heeft gesteld.


Zoals alle serieuze kunstenaars weet hij de ernst van het leven en de kunst tussen aanhalingstekens te plaatsen. Lachen is bij uitstek menselijk, stelde Rabelais al. En
Rembrandt beaamde dat, denk bijvoorbeeld aan zijn lach in een van zijn laatste zelfportretten als Zeuxis. Wie toevallig dichtbij Gentleman Jim(2005), komt, een wassen incarnatie van Turk als aan lager wal geraakte Engelse zeeman van de HMS Ulysses, prikkelt een sensor die Jim in beweging zet. De ‘mechanische turk’ gooit zijn hoofd in zijn nek, rolt met zijn ogen en brengt een bezopen lach voort.

The Negotiation of Purpose(2002), het werk waaraan de tentoonstelling zijn titel ontleent bestaat uit een keukentafel waarop een schijnbaar willekeurig neergelegd mes ronddraait, dat blijkt te worden voortbewogen door een onder tafel bevestigde motor. Tijdens zijn carrousel wijst het mes in alle richtingen van de zaal, alle werken met elkaar verbindend. De kunst is een perpetuum mobile, een kansspel, waarin alle mogelijkheden, interpretaties, verwijzingen en zingevingen open blijven zonder dat een definitief besluit valt.

Rogier Ormeling

Gavin Turk: The Negotiation of Purpose
t/m 20 mei 2007

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s